Aanwijzing feitgecodeerde misdrijven, overtredingen en muldergedragingen Laatste controle 14-05-2026, laatste wijziging 19-04-2026 (Bron: wetten.overheid.nl).

Inhoud
Samenvatting
1 Afdoening overeenkomstig de richtlijn
2 Uitgangspunt: Afdoening via één traject
3 Artikel 5 WVW 1994
4 Technische gebreken voertuig
5 Begrenzing strafbeschikkingsbevoegdheid opsporingsambtenaren
6 Minderjarigen

Samenvatting

Artikel 1

Afdoening overeenkomstig de richtlijn

Feitgecodeerde zaken worden door de opsporingsinstantie of het OM afgedaan overeenkomstig de Richtlijn voor strafvordering feitgecodeerde misdrijven en overtredingen.

Om ongewenste cumulatie van sancties te voorkomen wordt per gebeurtenis aan de betrokkene/verdachte voor ten hoogste drie overtredingen een administratieve sanctie opgelegd, een strafbeschikking uitgevaardigd of een proces-verbaal opgemaakt.

Indien, bijvoorbeeld bij het volgen van een voertuig, meerdere overtredingen kort na elkaar worden geconstateerd, wordt eveneens voor ten hoogste drie overtredingen een sanctie opgelegd of een strafbeschikking uitgevaardigd. Als het wenselijk is dat alle overtredingen worden benoemd dan moet worden afgezien van de administratiefrechtelijke weg of het uitvaardigen van een strafbeschikking en moet het rijgedrag van de bestuurder en de door hem gepleegde overtredingen worden vastgelegd in een proces-verbaal.

Artikel 2

Uitgangspunt: Afdoening via één traject

Als geconstateerd is dat een persoon op een bepaald moment meerdere overtredingen heeft begaan, wordt aan betrokkene/verdachte een administratieve sanctie opgelegd, óf wordt tegen hem een strafbeschikking uitgevaardigd óf proces-verbaal opgemaakt. Afdoening langs één traject is het uitgangspunt om verwarring van procedures te voorkomen. Als wel de strafrechtelijke en de administratiefrechtelijke weg worden bewandeld, moet daarvan in het proces-verbaal zo concreet mogelijk melding worden gemaakt. Van deze mogelijkheid mag slechts in zeer uitzonderlijke gevallen gebruik worden gemaakt.

Artikel 3

Artikel 5 WVW 1994

Als een proces-verbaal wordt opgemaakt ter zake van overtreding van artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994 (WVW 1994) is het niet toegestaan om voor feiten die in een directe relatie staan tot het gevaarlijke c.q. het hinderlijke gedrag op de weg ook administratieve sancties op te leggen, of strafbeschikkingen uit te vaardigen. Deze bepaling is opgenomen om de volgende reden. Als proces-verbaal wordt opgemaakt ter zake van overtreding van artikel 5 WVW 1994 en daarnaast administratieve sancties worden opgelegd voor aan dat artikel gerelateerde feiten, bestaat de kans dat de officier van justitie niet meer kan vervolgen. Dit vloeit voort uit het in artikel 68 van het Wetboek van Strafrecht (Sr) opgenomen ne bis in idem-beginsel, dat bepaalt dat niemand andermaal kan worden vervolgd voor feiten waarover te zijnen aanzien bij gewijsde van de rechter onherroepelijk is beslist.1Het voldoen aan de voorwaarden van een transactievoorstel doet op grond van artikel 74, eerste lid Sr het recht tot strafvordering vervallen en het uitvaardigen van een strafbeschikking (art. 257a Sv) is een daad van vervolging. Zowel bij het voldoen aan de voorwaarden van een transactie als bij het uitvaardigen van een strafbeschikking geldt dus het ne bis in idem-beginsel.

Als voor een gedraging een administratieve sanctie is opgelegd, mag deze gedraging op grond van het arrest van de Hoge Raad van 23 juni 1998 (NJ 1999, 47) niet bij een vervolging wegens overtreding van artikel 5 WVW 1994 worden betrokken. Evenzeer is het volgens dit arrest zo, dat als is vervolgd wegens overtreding van artikel 5 WVW 1994, niet nog eens een administratieve sanctie kan worden opgelegd voor zover deze gedraging in de vervolging was betrokken. Als voorbeeld kan worden aangegeven het feit dat een bestuurder gevaarlijk rijgedrag vertoont en daarbij tevens een rood verkeerslicht negeert. Als hiervoor een proces-verbaal ter zake van artikel 5 WVW 1994 wordt opgemaakt, mag voor het negeren van het rode licht (dat is aangemerkt als een Wahv-gedraging) geen afzonderlijke aankondiging van beschikking worden uitgereikt.

Artikel 4

Technische gebreken voertuig

Als aan een voertuig technische gebreken worden geconstateerd, wordt aan de bestuurder een sanctie opgelegd of wordt tegen hem proces-verbaal opgemaakt. Hiervan wordt slechts afgeweken als bij de betreffende feitcode uitdrukkelijk is bepaald dat de eigenaar of houder voor het betreffende feit verantwoordelijk is. Naast het opleggen van een sanctie kan zo nodig op basis van artikel 48, zevende lid, WVW 1994 het verbod om met het voertuig op de weg te rijden worden aangezegd. De administratieve afwikkeling van het aanzeggen van het verbod om op de weg te rijden dient te geschieden volgens de binnen de politie voorgeschreven werkwijze.

Artikel 5

Begrenzing strafbeschikkingsbevoegdheid opsporingsambtenaren

In artikel 3.2 van het Besluit OM-afdoening zijn de opsporingsambtenaren aangewezen aan wie strafbeschikkingsbevoegdheid op grond van artikel 257b Sv is verleend.

In de bijlage van het Besluit OM-afdoening zijn de zaken aangewezen die voor een politiestrafbeschikking in aanmerking komen. Opsporingsambtenaren met strafbeschikkingsbevoegdheid maken van die bevoegdheid gebruik volgens door het OM te geven richtlijnen (artikel 257b, derde lid, Sv).

Een politiestrafbeschikking mag niet worden uitgevaardigd indien:

  1. de opsporingsambtenaar of een van zijn naaste familieleden bij het feit of de gevolgen daarvan betrokken is;

  2. verschil van inzicht bestaat tussen de opsporingsambtenaar en de verdachte omtrent de feiten en/of de strafbaarheid;

  3. het feit schade ten gevolge heeft gehad of overigens te ernstig van aard is;

  4. inbeslagneming plaatsvindt en er door de hulpofficier van justitie geen juridische eindbeslissing over al het beslag is genomen;

  5. de militaire rechter uitsluitend bevoegd is.

De hoofdofficier van justitie kan bepalen dat in bepaalde gebieden of op bepaalde openbare wegen binnen het arrondissement of in bepaalde categorieën zaken door de bevoegde ambtenaren geen gebruik wordt gemaakt van de strafbeschikkingsbevoegdheid (artikel 3.5 Besluit OM-afdoening).

Artikel 6

Minderjarigen

Aan een minderjarige die wordt verdacht van het plegen van een feitgecodeerd feit kan een strafbeschikking worden uitgevaardigd.

Parallel aan hetgeen in de Wahv is vastgelegd, geldt dat ten aanzien van minderjarigen van 12 tot 16 jaar de vastgestelde tarieven worden gehalveerd met een afronding op hele Euro’s naar boven. Voor minderjarigen van 16 tot 18 jaar gelden in beginsel dezelfde tarieven als voor meerderjarigen.

Artikel 491 lid 2 Sv bepaalt dat bij het uitvaardigen van een strafbeschikking ter zake een misdrijf, met een geldboete van meer dan € 200,–, aan de minderjarige verdachte, een raadsman moet worden toegevoegd. Gelet op de gefaseerde uitrol van de OM-strafbeschikking wordt in deze gevallen echter momenteel nog geen OM-strafbeschikking uitgevaardigd (zie de Aanwijzing OM-strafbeschikking). Nadat de OM-strafbeschikking voor wat betreft de taakstraf voor jeugdigen is geïmplementeerd kan in eerder genoemde gevallen een OM-strafbeschikking worden uitgevaardigd, waarbij uitvoering dient te worden gegeven aan art. 491 lid 2 Sv.

← terug naar Aanwijzing feitgecodeerde misdrijven, overtredingen en muldergedragingen