Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering Laatste controle 30-03-2026, laatste wijziging 15-03-2026.

Inhoud
Eerste Boek De wijze van procederen voor de rechtbanken, de hoven en de Hoge Raad
Eerste titel Algemene bepalingen
Eerste afdeling Rechtsmacht van de Nederlandse rechter
Tweede afdeling Enkelvoudige en meervoudige kamers
Derde afdeling Algemene voorschriften voor procedures
Vierde afdeling Wraking en verschoning van rechters
Vijfde afdeling Het openbaar ministerie en de procureur-generaal bij de Hoge Raad
Vijfde A afdeling De Autoriteit Consument en Markt en de Europese Commissie
Zesde afdeling Exploten
Zevende afdeling Inlichtingen over buitenlands recht en communautair mededingingsrecht
Achtste afdeling Herstel van verkeerd inleiden van een procedure, verwijzing door of naar de kantonrechter en verwijzing bij absolute onbevoegdheid
Negende afdeling Slotbepaling
Tweede titel De dagvaardingsprocedure in eerste aanleg
Eerste afdeling Algemene bepalingen
Tweede afdeling Kantonzaken
Derde afdeling Relatieve bevoegdheid
Vierde afdeling Dagvaarding
Vijfde afdeling Verloop van de procedure
Zesde afdeling Reconventie
Zevende afdeling Verstek
Achtste afdeling Verzet
Negende afdeling Bewijs
Tiende afdeling Incidentele vorderingen
Elfde afdeling Schorsing en hervatting
Twaalfde afdeling Het vonnis
Dertiende afdeling Afbreking van de instantie
Veertiende afdeling Het kort geding
Derde titel De verzoekschriftprocedure in eerste aanleg
Zesde titel Prorogatie van rechtspraak aan het gerechtshof
Zevende titel Hoger beroep
Negende titel Verzet door derden
Tiende titel Herroeping
Tiende A titel Prejudiciële vragen aan de Hoge Raad
Elfde titel Cassatie
Tweede Boek Van de gerechtelijke tenuitvoerlegging van vonnissen, beschikkingen en authentieke akten
Eerste titel Algemene regels
Tweede titel Van de gerechtelijke tenuitvoerlegging op goederen die geen registergoederen zijn
Eerste afdeling Van executoriaal beslag op roerende zaken die geen registergoederen zijn
Eerste afdeling A Van executoriaal beslag op rechten aan toonder of order, aandelen op naam en effecten op naam, die geen aandelen zijn
Eerste afdeling B Van executoriaal beslag op aandelen op naam in naamloze vennootschappen en besloten vennootschappen met beperkte aansprakelijkheid
Tweede afdeling Van executoriaal beslag onder derden
Tweede afdeling A Van executoriaal beslag onder derden in zaken betreffende levensonderhoud en uitkering voor de huishouding
Tweede afdeling B Van executoriaal beslag onder de schuldeiser zelf
Tweede afdeling c Van executoriaal beslag op de rechten uit een sommenverzekering
Derde afdeling Van de verdeling van de opbrengst der executie
Vierde afdeling Van executie tot afgifte van roerende zaken, die geen registergoederen zijn
Derde titel Van de gerechtelijke tenuitvoerlegging op onroerende zaken
Vierde titel Van de gerechtelijke tenuitvoerlegging van schepen en luchtvaartuigen
Vijfde titel Van lijfsdwang en de tenuitvoerlegging van lijfsdwang en van dwangsom
Zesde titel Van het vereffenen van schadevergoeding
Zevende titel Van het stellen van zekerheid
Derde Boek Van rechtspleging van onderscheiden aard
Eerste titel Van rechtspleging in zaken van verkeersmiddelen en vervoer
Tweede titel Van procedures betreffende een nalatenschap of een gemeenschap
Vierde titel Van middelen tot bewaring van zijn recht
Eerste afdeling Algemene bepalingen
Tweede afdeling Van conservatoir beslag in handen van de schuldenaar
Derde afdeling Van conservatoir beslag op aandelen op naam, en effecten op naam die geen aandelen zijn
Vierde afdeling Van conservatoir beslag onder derden
Vijfde afdeling Van conservatoir beslag onder de schuldeiser zelf
Vijfde afdeling A Van conservatoir beslag op de rechten uit een sommenverzekering
Zesde afdeling Van conservatoir beslag op onroerende zaken
Zesde afdeling A Van conservatoir beslag op schepen
Zesde afdeling B Van conservatoir beslag op luchtvaartuigen
Zevende afdeling Van conservatoir beslag tot afgifte van zaken en levering van goederen
Achtste afdeling Van conservatoir beslag tegen schuldenaren zonder bekende woonplaats in Nederland
Negende Afdeling Van middelen tot bewaring van zijn recht op goederen der gemeenschap
Vijfde titel Rekenprocedure
Zesde Titel Rechtspleging in zaken betreffende het personen- en familierecht
Zevende titel Enige bijzondere rechtsplegingen
Negende titel Van de formaliteiten, vereist voor de tenuitvoerlegging van in vreemde Staten tot stand gekomen executoriale titels
Tiende titel Van rechtspleging in zaken van rechtspersonen
Twaalfde titel Van rechtspleging in zaken betreffende onredelijk bezwarende bedingen in algemene voorwaarden
Titel 13 Van rechtspleging in zaken betreffende de teruggave van cultuurgoederen
Titel 14 Van rechtspleging in zaken betreffende de verbindendverklaring van overeenkomsten strekkende tot collectieve schadeafwikkeling
Titel 14a Van rechtspleging in zaken betreffende een collectieve actie en collectieve schadeafwikkeling
Titel 15 Van rechtspleging in zaken betreffende rechten van intellectuele eigendom
Titel 15a Van rechtspleging in zaken betreffende bescherming van bedrijfsgeheimen
Titel 16 Van rechtspleging in pachtzaken
Titel 17 Van rechtspleging in deelgeschillen betreffende letsel- en overlijdensschade
Titel 18 Van rechtspleging in zaken betreffende een arbeidsovereenkomst op grond waarvan de werknemer arbeid verricht op het continentaal plat
Vierde Boek Arbitrage
Eerste titel Arbitrage in Nederland
Eerste afdeling De overeenkomst tot arbitrage
Eerste A afdeling De overeenkomst tot arbitrage en de bevoegdheid van de gewone rechter
Eerste B afdeling Het scheidsgerecht
Tweede afdeling Het arbitraal geding
Derde afdeling Het arbitraal vonnis
Derde A afdeling Arbitraal hoger beroep
Vierde afdeling De tenuitvoerlegging van het arbitraal vonnis
Vijfde afdeling De vernietiging en de herroeping van het arbitraal vonnis
Zesde afdeling Het arbitraal vonnis, houdende een vergelijk tussen de partijen
Zevende afdeling Slotbepalingen
Tweede titel Arbitrage buiten Nederland

Derde titel

De verzoekschriftprocedure in eerste aanleg

Artikel 261

  1. Voor zover uit de wet niet anders voortvloeit, is deze titel van toepassing op alle zaken die met een verzoekschrift moeten worden ingeleid, alsmede op zaken waarin de rechter ambtshalve een beschikking geeft.

  2. Met een verzoekschrift worden ingeleid de zaken ten aanzien waarvan dit uit de wet voortvloeit.

Artikel 262

Tenzij de wet anders bepaalt, is bevoegd:

  1. de rechter van de woonplaats van hetzij de verzoeker of één van de verzoekers, hetzij één van de in het verzoekschrift genoemde belanghebbenden dan wel, als zodanige woonplaats in Nederland niet bekend is, de rechter van het werkelijk verblijf van één van hen;

  2. indien het verzoek betrekking heeft op een bij dagvaarding ingeleid of in te leiden geding, de rechter die bevoegd is van dat geding kennis te nemen, tenzij het verzoek niet behoort tot diens absolute bevoegdheid.

Artikel 263

In zaken die uitsluitend betreffen de aanvulling van de registers van de burgerlijke stand of de inschrijving, doorhaling of wijziging van daarin in te schrijven of ingeschreven akten, is bevoegd de rechter binnen wiens rechtsgebied de akte is of moet worden ingeschreven. In zaken als bedoeld in de eerste zin, die betrekking hebben op krachtens Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek BES in de registers van de burgerlijke stand van de gemeente ’s-Gravenhage in te schrijven of ingeschreven akten, is bevoegd de rechter van de rechtbank Den Haag.

Artikel 264

In zaken betreffende huur van gebouwde onroerende zaken of een gedeelte daarvan is uitsluitend bevoegd de rechter binnen wiens rechtsgebied het gehuurde of het grootste gedeelte daarvan is gelegen.

Artikel 265

In zaken betreffende minderjarigen is bevoegd de rechter van de woonplaats of, bij gebreke van een woonplaats in Nederland, van het werkelijk verblijf van de minderjarige.

Artikel 266

In zaken betreffende curatele, onderbewindstelling ter bescherming van meerderjarigen of mentorschap ten behoeve van meerderjarigen is bevoegd de rechter van de woonplaats of, bij gebreke van een woonplaats in Nederland, van het werkelijk verblijf van degene wiens curatele onderscheidenlijk goederen of mentorschap het betreft.

Artikel 267

In zaken van afwezigheid of vermissing is bevoegd de rechter van de verlaten woonplaats van de afwezige of vermiste. Ten aanzien van de vaststelling van overlijden is bevoegd de rechter van de rechtbank Den Haag.

Artikel 268

  1. In zaken betreffende nalatenschappen is bevoegd de rechter van de laatste woonplaats van de overledene. In afwijking van de eerste zin is in zaken die volgens afdeling 7 van titel 5 van Boek 4 van het Burgerlijk Wetboek met een verzoekschrift moeten worden ingeleid, bevoegd de rechter van de woonplaats van de rechthebbende.

  2. Van de in artikel 12, vierde lid, tweede volzin, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek, bedoelde beschikking wordt door de griffier afschrift gezonden aan de als uitsluitend bevoegde aangewezen kantonrechter, aan de onder curatele gestelde, de rechthebbende en degene ten behoeve van wie een mentorschap is ingesteld en voorts aan de curator, de mentor en aan ieder der bewindvoerders. Van de beslissing is geen hogere voorziening toegelaten. De kantonrechter die als uitsluitend bevoegde is aangewezen, is aan die aanwijzing gebonden.

Artikel 269

Wijzen de artikelen 262 tot en met 268 geen bevoegde rechter aan, dan is de rechter te 's-Gravenhage bevoegd.

Artikel 270

  1. Indien de rechter, zonodig ambtshalve, beslist dat niet hij, maar een andere rechter van gelijke rang bevoegd is, verwijst hij de zaak in de stand waarin deze zich bevindt, naar die andere rechter. De griffier zendt een afschrift van de beschikking aan de rechter naar wie de zaak is verwezen. Verwijzing als bedoeld in dit lid vindt niet plaats indien de verzoeker en de opgeroepen belanghebbenden hebben aangegeven dat zij geen verwijzing wensen.

  2. In zaken met betrekking tot echtscheiding, scheiding van tafel en bed, ontbinding van het huwelijk na scheiding van tafel en bed en ontbinding van een geregistreerd partnerschap en daarmee verband houdende verzoeken tot het treffen van een voorlopige voorziening of een nevenvoorziening, vindt een verwijzing als bedoeld in het eerste lid slechts plaats indien de andere echtgenoot of geregistreerde partner de bevoegdheid betwist.

  3. Tegen de beslissing waarbij een betwisting van bevoegdheid wordt verworpen of de zaak naar een andere rechter wordt verwezen, is geen hogere voorziening toegelaten. De rechter naar wie de zaak is verwezen, is aan die verwijzing gebonden. De vorige zin mist toepassing indien de rechter zich tevens absoluut onbevoegd verklaart en de zaak verwijst naar een hogere rechter.

Artikel 271

De oproeping van verzoekers of van in de procedure verschenen belanghebbenden geschiedt door de griffier bij gewone brief, tenzij de rechter anders bepaalt.

Artikel 272

De oproeping van niet in de procedure verschenen belanghebbenden van wie de woonplaats of het werkelijk verblijf onbekend zijn geschiedt door plaatsing van de oproeping in de Staatscourant. De rechter kan bepalen dat de oproeping tevens op andere wijze geschiedt.

De oproeping van overige niet in de procedure verschenen belanghebbenden geschiedt door de griffier bij aangetekende brief, tenzij de rechter anders bepaalt.

Artikel 273

De oproeping van een rechterlijke autoriteit, het openbaar ministerie of de raad voor de kinderbescherming geschiedt door de griffier bij gewone brief.

Artikel 274

Oproepingen die bij brief geschieden, vermelden de dag van de verzending. Deze vermelding geschiedt niet slechts op de envelop.

Artikel 275

Indien de griffier een bij aangetekende brief verzonden oproeping terug ontvangt en hem blijkt dat de geadresseerde op de dag van verzending of uiterlijk een week nadien in de daartoe bestemde registers ingeschreven stond op het op de oproeping vermelde adres, verzendt hij de oproeping onverwijld bij gewone brief. In de overige gevallen waarin de griffier de oproeping terug ontvangt, verbetert de griffier, indien mogelijk, het op de oproeping vermelde adres en verzendt hij de oproeping opnieuw bij aangetekende brief, tenzij de rechter anders bepaalt.

Artikel 276

  1. Oproepingen vermelden de plaats, de dag en het uur van de terechtzitting. Zij worden zo spoedig mogelijk en ten minste een week vóór die dag verzonden, tenzij de rechter anders bepaalt.

  2. De oproeping bevat tevens de mededeling of voor de indiening van een verweerschrift griffierecht zal worden geheven en dat indien de verweerder het verschuldigde griffierecht niet tijdig heeft voldaan de rechter het ingediende verweerschrift niet bij zijn beslissing op het verzoek betrekt, binnen welke termijn dit griffierecht betaald dient te worden, alsmede een verwijzing naar een vindplaats van de meest recente bijlage behorende bij de Wet griffierechten burgerlijke zaken waarin de hoogte van de griffierechten staan vermeld. Hierbij wordt vermeld dat van een persoon die onvermogend is, een bij of krachtens de wet vastgesteld griffierecht voor onvermogenden wordt geheven, indien hij op het tijdstip waarop het griffierecht wordt geheven heeft overgelegd:

    1. een afschrift van het besluit tot toevoeging, bedoeld in artikel 29 van de Wet op de rechtsbijstand, of indien dit niet mogelijk is ten gevolge van omstandigheden die redelijkerwijs niet aan hem zijn toe te rekenen, een afschrift van de aanvraag als bedoeld in artikel 24, tweede lid, van de Wet op de Rechtsbijstand, dan wel

    2. een verklaring van het bestuur van de raad voor rechtsbijstand als bedoeld in artikel 7, derde lid, onderdeel e, van de Wet op de rechtsbijstand waaruit blijkt dat zijn inkomen niet meer bedraagt dan de inkomens, bedoeld in de algemene maatregel van bestuur krachtens artikel 35, tweede lid, van die wet.

  3. Indien het een zaak betreft waarbij meerdere belanghebbenden zijn betrokken, bevat de oproeping tevens de mededeling dat van belanghebbenden die bij dezelfde advocaat verschijnen en gelijkluidende verweerschriften indienen, op basis van artikel 15 van de Wet griffierechten burgerlijke zaken slechts eenmaal een gezamenlijk griffierecht wordt geheven.

Artikel 277

  1. De oproeping bij brief van verzoekers of belanghebbenden die geen bekende woonplaats of bekend werkelijk verblijf in Nederland hebben, maar wel een bekende woonplaats of een bekend werkelijk verblijf in een Staat waar de verordening (EU) 2020/1784 van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2020 inzake de betekening en de kennisgeving in de lidstaten van gerechtelijke en buitengerechtelijke stukken in burgerlijke of in handelszaken (de betekening en kennisgeving van stukken) van toepassing is, geschiedt door rechtstreekse verzending overeenkomstig artikel 18 van de verordening. In plaats daarvan mag het gerecht ook een vertaling van de oproeping verzenden in een taal als bedoeld in artikel 12, eerste lid, van de verordening. Het gerecht maakt in de oproeping melding van de verzending, alsmede van het volgende:

    1. de datum van verzending;

    2. de wijze van verzending;

    3. of een vertaling is verzonden en zo ja, in welke taal;

    4. de mededeling in een van de in artikel 12, eerste lid, van de verordening bedoelde talen, dat degene voor wie het stuk bestemd is, dit mag weigeren als het niet gesteld is in of niet vergezeld gaat van een vertaling in een van de in artikel 12, eerste lid, van de verordening bedoelde talen en dat geweigerde stukken naar hem moeten worden gezonden.

  2. Het gerecht mag de oproeping ook verrichten door verzending daarvan aan een ontvangende instantie als bedoeld in artikel 3, tweede lid, van de verordening, ter betekening aan degene voor wie de oproeping bestemd is, via het systeem zoals bedoeld in artikel 5, eerste lid, van de verordening of via alternatieve middelen van verzending in het geval van artikel 5, vierde lid, van de verordening. Indien de oproeping niet is opgesteld in een van de in artikel 12, eerste lid, van de verordening bedoelde talen, verzendt het gerecht ook een vertaling in een taal als bedoeld in artikel 12, eerste lid, van de verordening.»

    Het gerecht maakt in de oproeping melding van de verzending, alsmede van volgende gegevens:

    1. de datum van verzending;

    2. de naam en het adres van de ontvangende instantie;

    3. de wijze van verzending;

    4. in het geval van artikel 5 lid 4 van de verordening, de reden van de verzending met alternatieve middelen;

    5. of een vertaling is meegezonden en, zo ja, in welke taal;

    6. de taal waarin het formulier als bedoeld in artikel 8, tweede lid, van de verordening is ingevuld;

    7. de gevraagde wijze van betekening.

Artikel 277a

Een vreemde staat in de zin van artikel 2, eerste lid, onder b, van het te New York gesloten Verdrag van de Verenigde Naties inzake de immuniteit van rechtsmacht van Staten en hun eigendommen van 2 december 2004, (Trb. 2010, 272), wordt opgeroepen bij exploot waarbij het verzoekschrift wordt betekend overeenkomstig artikel 22, eerste en derde lid, van het Verdrag.

Artikel 278

  1. Het verzoekschrift vermeldt de voornamen, naam en woonplaats of, bij gebreke van een woonplaats in Nederland, het werkelijk verblijf van de verzoeker, alsmede een duidelijke omschrijving van het verzoek en de gronden waarop het berust. In zaken betreffende een nalatenschap vermeldt het verzoekschrift tevens de laatste woonplaats van de overledene of de reden waarom deze vermelding niet mogelijk is. De artikelen 111, derde lid, en 120, vierde lid, zijn van overeenkomstige toepassing, tenzij de aard van de zaak of de procedure zich hiertegen verzet.

  2. Het verzoekschrift wordt ondertekend en ter griffie ingediend. Indien de voorzieningenrechter daarop moet beschikken, kan het aan deze ter hand worden gesteld.

  3. Tenzij indiening bij de kantonrechter plaatsvindt of ingevolge bijzondere wettelijke bepaling niet door een advocaat behoeft te geschieden, wordt het verzoekschrift ondertekend door een advocaat. Het kantoor van die advocaat geldt als gekozen woonplaats van de verzoeker.

  4. De griffier tekent de dag van indiening of de dag van terhandstelling aan de voorzieningenrechter op het verzoekschrift aan.

Artikel 279

  1. De rechter bepaalt, tenzij hij zich aanstonds onbevoegd verklaart of het verzoek toewijst, onverwijld dag en uur waarop de behandeling aanvangt. Hij beveelt tevens oproeping van de verzoeker en voor zover nodig van de in het verzoekschrift genoemde belanghebbenden. Bovendien kan hij te allen tijde belanghebbenden, bekende of onbekende, doen oproepen.

  2. De oproepingen, behalve die van de verzoeker, gaan vergezeld van een afschrift van het verzoekschrift, tenzij een oproeping op andere wijze dan bij brief of exploot geschiedt, of de rechter anders bepaalt; in deze gevallen bevat de oproeping een korte omschrijving van het verzoek.

  3. De opgeroepene verschijnt ter terechtzitting in persoon of bij een gemachtigde. In zaken waarin het verzoekschrift door een advocaat moet worden ingediend, verschijnt de opgeroepene in persoon of bij advocaat. De rechter kan verschijning in persoon bevelen. De opgeroepene die in persoon verschijnt, mag zich laten bijstaan door zijn raadsman. In zaken waarin het verzoekschrift door een advocaat moet worden ingediend, is de raadsman een advocaat.

  4. Van het verhandelde en van de zakelijke inhoud van de afgelegde verklaringen wordt een proces-verbaal opgemaakt, dat door de rechter voor wie de mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden, wordt ondertekend.

  5. Indien de behandeling van een zaak wordt aangehouden, blijft een hernieuwde oproeping van diegenen, aan wie de dag en het uur reeds mondeling ter terechtzitting waren medegedeeld, achterwege.

  6. De artikelen 87 tot en met 90 zijn van overeenkomstige toepassing, tenzij de aard van de zaak of de procedure zich hiertegen verzet.

Artikel 280

In zaken waarin de indiening van het verzoekschrift niet door een advocaat behoeft te geschieden, zijn de artikelen 80 en 81 van overeenkomstige toepassing.

Artikel 281

  1. Indien het verzoekschrift ten onrechte niet door een advocaat is ingediend, biedt de rechter de verzoeker de gelegenheid binnen een door hem te bepalen termijn dit verzuim te herstellen. Maakt de verzoeker van deze gelegenheid geen gebruik, dan wordt hij in het verzoek niet ontvankelijk verklaard.

  2. Tegen een beslissing ingevolge het eerste lid staat geen hogere voorziening open.

Artikel 282

  1. Iedere belanghebbende kan tot de aanvang van de behandeling of, indien de rechter dit toestaat, in de loop van de behandeling een verweerschrift indienen. Artikel 278 is van overeenkomstige toepassing met dien verstande dat, indien de rechter dit bepaalt, indiening van een verweerschrift in de loop van de behandeling kan geschieden ter terechtzitting onder verstrekking van een afschrift aan de verzoeker en de andere opgeroepen belanghebbenden.

  2. Het verweerschrift en de overgelegde bescheiden gaan vergezeld van de nodige afschriften. Tenzij de indiening overeenkomstig het eerste lid ter terechtzitting plaatsvindt, zendt de griffier onverwijld een afschrift toe aan de verzoeker en aan de andere opgeroepen belanghebbenden.

  3. De griffier roept, voor zover dat nog niet is geschied, hen die verweerschriften hebben ingediend op tegen de dag van de behandeling.

  4. Het verweerschrift mag een zelfstandig verzoek bevatten, mits dit betrekking heeft op het onderwerp van het oorspronkelijke verzoek. De rechter kan aan de verzoeker en aan de overige belanghebbenden gelegenheid geven tegen dit zelfstandige verzoek een verweerschrift in te dienen.

Artikel 282a

  1. Voor zover bij of krachtens deze wet of een andere wet niet anders is bepaald, houdt de rechter de zaak aan zolang de verzoeker en de belanghebbende het griffierecht niet hebben voldaan en de termijn genoemd in artikel 3, vierde lid, van de Wet griffierechten burgerlijke zaken nog loopt.

  2. Heeft de verzoeker het verschuldigde griffierecht niet tijdig voldaan, dan verklaart de rechter de verzoeker niet-ontvankelijk in het verzoek. Voordat de rechter hiertoe overgaat, stelt hij de verzoeker in de gelegenheid zich uit te laten over het niet tijdig voldoen van het verschuldigde griffierecht.

  3. Heeft de belanghebbende het verschuldigde griffierecht niet tijdig voldaan, dan betrekt de rechter het ingediende verweerschrift niet bij zijn beslissing op het verzoek. Voordat de rechter hiertoe overgaat, stelt hij de belanghebbende in de gelegenheid zich uit te laten over het niet tijdig voldoen van het verschuldigde griffierecht.

  4. De rechter laat het eerste lid, tweede lid, eerste volzin, en derde lid, eerste volzin geheel of ten dele buiten toepassing, indien hij van oordeel is dat de toepassing van die bepalingen gelet op het belang van één of meer van de partijen bij toegang tot de rechter, zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard.

  5. Tegen beslissingen ingevolge het tweede, derde of vierde lid staat geen hogere voorziening open.

  6. Het eerste tot en met vijfde lid is niet van toepassing in zaken bij de voorzieningenrechter.

Artikel 283

Zolang de rechter nog geen eindbeschikking heeft gegeven, is de verzoeker bevoegd het verzoek of de gronden daarvan te verminderen, dan wel schriftelijk te veranderen of te vermeerderen. In het geval van verandering of vermeerdering is artikel 130 van overeenkomstige toepassing.

Artikel 284

  1. De negende afdeling van de tweede titel is van overeenkomstige toepassing, tenzij de aard van de zaak zich hiertegen verzet.

  2. De overeenkomstige toepassing van de artikelen 187 en 191 vindt aldus plaats dat de daarin bedoelde voorschotheffing, tenuitvoerlegging of voorlopige indebetstelling geschiedt ten laste van de belanghebbende die het verzoekschrift heeft ingediend dan wel mede of uitsluitend ten laste van een of meer andere door de rechter aangewezen belanghebbenden.

Artikel 285

  1. De rechter kan, indien een verzoekschrift over hetzelfde of een verknocht onderwerp reeds bij een andere rechter is ingediend, de verwijzing naar die andere rechter bevelen. Een verzoek daartoe kan worden gedaan tot de aanvang van de behandeling. De griffier zendt een afschrift van de beschikking aan de rechter naar wie is verwezen.

  2. Indien bij dezelfde rechter meer verzoekschriften over hetzelfde of een verknocht onderwerp zijn ingediend, kan de voeging daarvan worden bevolen. Een verzoek daartoe kan worden gedaan tot het einde van de behandeling.

Artikel 286

De rechter bepaalt na afloop van de behandeling de dag waarop hij uitspraak zal doen en deelt deze dag aan de verzoeker en de in de procedure verschenen belanghebbenden mede. Op verlangen van de verzoeker en de in de procedure verschenen belanghebbenden kan de rechter de uitspraak uitstellen.

Artikel 287

  1. Op een beschikking is artikel 230, eerste en derde lid, van overeenkomstige toepassing.

  2. Indien het verzoekschrift rechtstreeks aan de voorzieningenrechter ter hand is gesteld en de voorzieningenrechter toewijzend op het verzoek beschikt, is ook artikel 230, tweede lid, van overeenkomstige toepassing.

Artikel 288

De rechter kan de eindbeschikking uitvoerbaar bij voorraad verklaren, met of zonder zekerheidstelling.

Artikel 289

De eindbeschikking kan tevens een veroordeling in de proceskosten inhouden. Artikel 244 is van toepassing.

Artikel 290

  1. De verzoeker en iedere belanghebbende hebben recht op inzage en afschrift van het verzoekschrift, de verweerschriften, de op de zaak betrekking hebbende bescheiden en de processen-verbaal.

  2. De griffier verstrekt zo spoedig mogelijk een afschrift van processen-verbaal aan de verzoeker en aan de in de procedure verschenen belanghebbenden.

  3. Van de beschikkingen verstrekt de griffier zo spoedig mogelijk een afschrift aan de verzoeker en aan de in de procedure verschenen belanghebbenden. Betreft het een eindbeschikking, dan is het afschrift dat wordt verstrekt aan degene die tot tenuitvoerlegging van de beschikking kan overgaan, opgemaakt in executoriale vorm.

  4. De griffier verstrekt desverlangd tweede of verdere in executoriale vorm opgemaakte afschriften van een beschikking aan de belanghebbende die tot tenuitvoerlegging van die beschikking kan overgaan, dan wel aan de rechtverkrijgenden onder algemene titel van deze belanghebbende. Artikel 29, vijfde en zesde lid, is van overeenkomstige toepassing.

  5. Elk afschrift dat in executoriale vorm is opgemaakt, wordt gedagtekend.

Artikel 291

De verzending van processtukken en van mededelingen aan de verzoeker en belanghebbenden, geschiedt op de wijze als in de derde afdeling van deze titel voor oproepingen bepaald.

← terug naar Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering