-
De rechterlijke leden van de Raad ontvangen in verband met het verrichten van de werkzaamheden als lid van de Raad een toelage op het salaris dat zij als rechterlijk ambtenaar, lid van de Centrale Raad van Beroep of lid van het College van Beroep voor het bedrijfsleven genieten. Het bedrag van de toelage is gelijk aan het verschil tussen dat salaris en de bij algemene maatregel van bestuur voor de functie van rechterlijk lid van de Raad vast te stellen salarishoogte. Toekenning van de toelage geschiedt door de Raad voor de rechtspraak uitgezonderd het betrokken lid.
-
Een lid van de Raad wordt bij koninklijk besluit op voordracht van Onze Minister ontslagen bij de aanvaarding van een ambt dat of een betrekking die volgens artikel 84 onverenigbaar is met het lidmaatschap van de Raad. Een niet-rechterlijk lid van de Raad wordt tevens als lid van de Raad bij koninklijk besluit op voordracht van Onze Minister ontslagen indien hij wordt benoemd als rechterlijk ambtenaar met rechtspraak belast, met rechtspraak belast lid van de Centrale Raad van Beroep of met rechtspraak belast lid van het College van Beroep voor het bedrijfsleven.
-
Een rechterlijk lid van de Raad wordt bij koninklijk besluit op voordracht van Onze Minister ontslagen onderscheidenlijk geschorst als lid van de Raad indien hij als rechterlijk ambtenaar met rechtspraak belast dan wel met rechtspraak belast lid van de Centrale Raad van Beroep of het College van Beroep voor het bedrijfsleven wordt ontslagen onderscheidenlijk geschorst, tenzij dat ontslag of die schorsing alleen een rechtsprekend ambt betreft dat hij niet op basis van een aanstelling als bedoeld in artikel 5f, eerste lid, van de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren vervult.
-
Een rechterlijk lid van de Raad wordt op eigen verzoek bij koninklijk besluit op voordracht van Onze Minister ontslagen.
-
Een niet-rechterlijk lid van de Raad wordt disciplinair gestraft, geschorst en ontslagen bij koninklijk besluit op voordracht van Onze Minister.
-
Ten aanzien van een niet-rechterlijk lid van de Raad worden de in de Ambtenarenwet aan het bevoegd gezag toegekende bevoegdheden uitgeoefend door de Raad, uitgezonderd het niet-rechterlijk lid van de Raad. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld omtrent de uitoefening van rechtspositionele bevoegdheden ten aanzien van een niet-rechterlijk lid door de Raad uitgezonderd het niet-rechterlijk lid.
-
Ten aanzien van een rechterlijk lid van de Raad worden de in de artikelen 7, 17, 18, 18a, 40, 45 en 46 van de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren aan het gerechtsbestuur toegekende bevoegdheden uitgeoefend door de Raad uitgezonderd het rechterlijk lid. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld omtrent de uitoefening van rechtspositionele bevoegdheden ten aanzien van een rechterlijk lid door de Raad uitgezonderd het rechterlijk lid.
-
Bij algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld over de rechtspositie van de leden van de Raad, waaronder in ieder geval regels betreffende de in het eerste lid bedoelde toelage van de rechterlijke leden alsmede het salaris van een niet-rechterlijk lid.
Inhoud
Artikel 86
HISTORISCH
Je bekijkt een oudere officiële versie van 01-07-2010.
Deze versie geldt vanaf 01-07-2010.
01-07-2025
Huidig
01-07-2023
Historisch
01-05-2022
Historisch
01-07-2021
Historisch
07-05-2021
Historisch
01-04-2021
Historisch
01-01-2021
Historisch
25-07-2020
Historisch
01-01-2020
Historisch
28-11-2019
Historisch
01-01-2019
Historisch
11-04-2018
Historisch
01-01-2018
Historisch
01-03-2017
Historisch
01-01-2017
Historisch
01-07-2015
Historisch
01-01-2015
Historisch
01-04-2014
Historisch
01-01-2014
Historisch
01-04-2013
Historisch
01-01-2013
Historisch
01-11-2012
Historisch
01-10-2012
Historisch
01-09-2012
Historisch
01-07-2012
Historisch
01-07-2011
Historisch
01-01-2011
Historisch
01-09-2010
Historisch
01-07-2010
Historisch
01-04-2010
Historisch
14-01-2009
Historisch
01-01-2009
Historisch
01-09-2008
Historisch
01-07-2008
Historisch
26-03-2008
Historisch
31-10-2007
Historisch
01-09-2007
Historisch
01-06-2007
Historisch
01-03-2007
Historisch
01-01-2007
Historisch
01-02-2006
Historisch
15-10-2005
Historisch
15-03-2005
Historisch
01-01-2005
Historisch
01-07-2004
Historisch
01-02-2003
Historisch
15-05-2002
Historisch
01-01-2002
Historisch
Vergelijking met vorige versie
Vergeleken met 01-07-2004
Tekst van deze versie
- De rechterlijke leden van de Raad ontvangen in verband met het verrichten van de werkzaamheden als lid van de Raad een toelage op het salaris dat zij als rechterlijk ambtenaar, lid van de Centrale Raad van Beroep of lid van het College van Beroep voor het bedrijfsleven genieten. Het bedrag van de toelage is gelijk aan het verschil tussen dat salaris en de bij algemene maatregel van bestuur voor de functie van rechterlijk lid van de Raad vast te stellen salarishoogte. Toekenning van de toelage geschiedt door de Raad voor de rechtspraak uitgezonderd het betrokken lid.
- Een lid van de Raad wordt bij koninklijk besluit op voordracht van Onze Minister ontslagen bij de aanvaarding van een ambt dat of een betrekking die volgens artikel 84 onverenigbaar is met het lidmaatschap van de Raad. Een niet-rechterlijk lid van de Raad wordt tevens als lid van de Raad bij koninklijk besluit op voordracht van Onze Minister ontslagen indien hij wordt benoemd als rechterlijk ambtenaar met rechtspraak belast, met rechtspraak belast lid van de Centrale Raad van Beroep of met rechtspraak belast lid van het College van Beroep voor het bedrijfsleven.
- Een rechterlijk lid van de Raad wordt bij koninklijk besluit op voordracht van Onze Minister ontslagen onderscheidenlijk geschorst als lid van de Raad indien hij als rechterlijk ambtenaar met rechtspraak belast dan wel met rechtspraak belast lid van de Centrale Raad van Beroep of het College van Beroep voor het bedrijfsleven wordt ontslagen onderscheidenlijk geschorst, tenzij dat ontslag of die schorsing alleen een rechtsprekend ambt betreft waarindat hij niet isop aangesteldbasis overeenkomstigvan een aanstelling als bedoeld in artikel 2,5f, eerste lid, van de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren.ambtenaren vervult.
-
Een rechterlijk lid van de Raad wordt op eigen verzoek bij koninklijk besluit op voordracht van Onze Minister ontslagen.
-
Een niet-rechterlijk lid van de Raad wordt disciplinair gestraft, geschorst en ontslagen bij koninklijk besluit op voordracht van Onze Minister.
- Ten aanzien van een niet-rechterlijk lid van de Raad worden de in de Ambtenarenwet aan het bevoegd gezag toegekende bevoegdheden uitgeoefend door de Raad, uitgezonderd het niet-rechterlijk lid van de Raad. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld omtrent de uitoefening van rechtspositionele bevoegdheden door de Raad ten aanzien van een niet-rechterlijk lid door de Raad uitgezonderd het niet-rechterlijk lid.
- Ten aanzien van een rechterlijk lid van de Raad worden de in de artikelen 21,7, 27a17, tot18, en18a, met 30, 34, 35, 37 tot en met 39,40, 45 en 46 van de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren aan dehet functionele autoriteitgerechtsbestuur toegekende bevoegdheden uitgeoefend door de Raad,Raad uitgezonderd dathet rechterlijk lid van de Raad.lid. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld omtrent de uitoefening van rechtspositionele bevoegdheden door de Raad ten aanzien van een rechterlijk lid door de Raad uitgezonderd het rechterlijk lid.
- Bij algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld over de rechtspositie van de leden van de Raad, waaronder in ieder geval regels betreffende de in het eerste lid bedoelde toelage van de rechterlijke leden alsmede dehet bezoldigingsalaris van een niet-rechterlijk lid.
Nog geen automatische verwijzingen.
Deze actie vereist een account
Log in of maak een account om arceringen, annotaties, tags en dossiers te gebruiken.