De taken en bevoegdheden van het openbaar ministerie worden, op de wijze bij of krachtens de wet bepaald, uitgeoefend door:
het College van procureurs-generaal;
de officieren van justitie, de plaatsvervangende officieren van justitie, de officieren enkelvoudige zittingen en de plaatsvervangende officieren enkelvoudige zittingen;
de advocaten-generaal en de plaatsvervangende advocaten-generaal, bedoeld in artikel 1, onderdeel b, onder 6°.