Wet op de lijkbezorging Laatste controle 29-03-2026, laatste wijziging 15-03-2026.

Inhoud
Hoofdstuk I Algemene bepalingen
Hoofdstuk II Algemene voorschriften voor de lijkbezorging
Hoofdstuk III Begraving
Hoofdstuk IV Crematie
Hoofdstuk V Bijzondere wijzen van lijkbezorging
Hoofdstuk VI Bijzondere bepalingen
Hoofdstuk VII Strafbepalingen
Hoofdstuk VIII Overgangs- en slotbepalingen

§ 1

Overgangsbepalingen

Artikel 83

  1. De bij de inwerkingtreding van deze wet in gebruik zijnde begraafplaatsen en crematoria worden geacht te zijn aangelegd en opengesteld onderscheidenlijk gevestigd en in werking gesteld te zijn overeenkomstig de bepalingen van deze wet. Een op dat tijdstip reeds verleend verlof tot vestiging, uitbreiding of wijziging van een crematorium wordt geacht ingevolge artikel 53 te zijn verleend.

  2. De op het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet geldende ontheffingen, verleend op grond van artikel 13, eerste lid, van de Wet op de lijkbezorging (Wet van 10 april 1869. Stb. 65), worden geacht te zijn verleend overeenkomstig artikel 33, van deze wet.

  3. De op het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet geldende gemeentelijke verordeningen tot heffing van rechten als bedoeld in de artikelen 20, 21, 29o en 30-35 van de Wet op de lijkbezorging (Wet van 10 april 1869, Stb. 65), worden geacht te zijn vastgesteld krachtens artikel 229 van de Gemeentewet (Stb. 1992, 96).

Artikel 84

Het recht op een eigen graf, verleend vóór het in werking treden van deze wet, wordt geacht een uitsluitend recht op een graf in de zin van artikel 28 te zijn.

Artikel 84a

Indien ten aanzien van een graf waarop voor 1 januari 2010 een uitsluitend recht is gevestigd, voor 1 januari 2025 een verklaring van verwaarlozing als bedoeld in artikel 28, vierde lid, is opgesteld, vervalt het recht, in afwijking van artikel 28, zesde lid,

  1. met ingang van 1 januari 2030, mits op dat tijdstip dertig jaar is verstreken sinds de laatste begraving in dat graf dan wel

  2. op een later gelegen tijdstip waarop dertig jaar is verstreken sinds de laatste begraving in dat graf.

Artikel 84b

Indien een graf op het tijdstip van inwerkingtreding van dit artikel niet ingevolge deze wet mag worden geruimd, gaat op dat tijdstip hetgeen op dat graf is geplaatst, of het gebouw of werk waarin het graf zich bevindt, dan wel, indien is begraven in een grafkelder, hetgeen daarin of daarop is geplaatst, en door toepassing van artikel 20, eerste lid, aanhef en onder e en f, van Boek 5 van het Burgerlijk Wetboek voor de oorspronkelijke rechthebbende verloren is gegaan, over op die oorspronkelijk rechthebbende of diens rechtverkrijgenden onder algemene titel, en is vanaf dat tijdstip artikel 32a daarop van toepassing. Er ontstaat geen verplichting tot vergoeding van enig door deze overgang veroorzaakt vermogensrechtelijk nadeel.

Artikel 85

  1. In graven of grafkelders als bedoeld in artikel 15 van de Wet op de lijkbezorging (Wet van 10 april 1869, Stb. 65) kunnen het lijk van degene, die daarvan eigenaar is ten tijde van de inwerkingtreding van deze wet en de lijken van de leden van zijn geslacht worden begraven. In of op zodanige graven en in zodanige grafkelders kunnen asbussen, waarin de as van lijken bedoeld in de eerste volzin is geborgen, worden bijgezet.

  2. Op de in het eerste lid bedoelde graven en grafkelders zijn van Hoofdstuk III toepasselijk deartikelen 26, 27, 29, 30 en 31.

Artikel 86

  1. De raden der gemeenten, op welke een verplichting rust tot betaling van een jaarlijkse schadeloosstelling in verband met het niet meer plaats vinden van begravingen in kerken of andere gesloten gebouwen, hebben het recht deze verplichting af te kopen tegen betaling van een som, die het twintigvoudige van het bedrag dier schadeloosstelling beloopt.

  2. Indien de rechthebbende op de afkoopsom weigert deze te aanvaarden of onbekend dan wel afwezig is, kunnen burgemeester en wethouders de afkoopsom doen opnemen in de Consignatiekas.

← terug naar Wet op de lijkbezorging