Wet op de lijkbezorging

Inhoud
Hoofdstuk I Algemene bepalingen
Hoofdstuk II Algemene voorschriften voor de lijkbezorging
Hoofdstuk III Begraving
Hoofdstuk IV Crematie
Hoofdstuk V Bijzondere wijzen van lijkbezorging
Hoofdstuk VI Bijzondere bepalingen
Hoofdstuk VII Strafbepalingen
Hoofdstuk VIII Overgangs- en slotbepalingen

Artikel 76 (Verlof verlenen vervoer)

Actueel
Je bekijkt de huidige officiële versie van 01-07-2026.
  1. Wanneer tekenen of aanduidingen van een niet-natuurlijke dood aanwezig zijn of wanneer in verband met andere omstandigheden een niet-natuurlijke dood niet uitgesloten geacht kan worden, mag het lijk niet worden vervoerd dan met verlof van de officier van justitie of een van zijn hulpofficieren.

  2. In zodanig geval mag ontleding, conservering als bedoeld in artikel 71, eerste en vierde lid, sectie of verkrijging van organen of weefsels uit het lijk voor orgaan- of weefseldonatie als bedoeld in de Wet op de orgaandonatie niet plaatsvinden, of indien reeds aangevangen, niet worden voortgezet, dan met toestemming van de officier van justitie.

  3. Indien de officier van justitie een geval als bedoeld in het eerste lid aanwezig acht, kan hij uitstel van de begraving of van de crematie van het lijk gelasten, of de crematie verbieden. Zolang een zodanige maatregel van kracht is, wordt het lijk niet begraven of gecremeerd, onderscheidenlijk niet gecremeerd, en geeft de ambtenaar van de burgerlijke stand daartoe geen verlof.

  4. Indien de officier van justitie een geval als bedoeld in het eerste lid aanwezig acht kan hij verbieden dat de as wordt verstrooid, ter beschikking wordt gesteld aan een nabestaande of naar het buitenland wordt verzonden.

  5. Voor de toepassing van dit artikel wordt als bevoegde officier van justitie aangemerkt die van de plaats waar het lijk het eerst is aangetroffen.

01-07-2026 Huidig 01-07-2025 Historisch 01-01-2025 Historisch 01-01-2022 Historisch

Vergelijking met vorige versie

Vergeleken met 01-01-2022

Tekst van deze versie

  1. Wanneer tekenen of aanduidingen van een niet-natuurlijke dood aanwezig zijn of wanneer in verband met andere omstandigheden een niet-natuurlijke dood niet uitgesloten geacht kan worden, mag het lijk niet worden vervoerd dan met verlof van de officier van justitie of een van zijn hulpofficieren.

  2. In zodanig geval mag ontleding, conservering als bedoeld in artikel 71, eerste en vierde lid, sectie of verwijderingverkrijging van organen of weefsels uit het lijk voor orgaandonatieorgaan- of weefseldonatie als bedoeld in de Wet op de orgaandonatie niet plaatsvinden, of indien reeds aangevangen, niet worden voortgezet, dan met toestemming van de officier van justitie.
  3. Indien de officier van justitie een geval als bedoeld in het eerste lid aanwezig acht, kan hij uitstel van de begraving of van de crematie van het lijk gelasten, of de crematie verbieden. Zolang een zodanige maatregel van kracht is, wordt het lijk niet begraven of gecremeerd, onderscheidenlijk niet gecremeerd, en geeft de ambtenaar van de burgerlijke stand daartoe geen verlof.

  4. Indien de officier van justitie een geval als bedoeld in het eerste lid aanwezig acht kan hij verbieden dat de as wordt verstrooid, ter beschikking wordt gesteld aan een nabestaande of naar het buitenland wordt verzonden.

  5. Voor de toepassing van dit artikel wordt als bevoegde officier van justitie aangemerkt die van de plaats waar het lijk het eerst is aangetroffen.

Nog geen automatische verwijzingen.

Deze actie vereist een account
Log in of maak een account om arceringen, annotaties, tags en dossiers te gebruiken.
← terug naar Wet op de lijkbezorging