Tijdelijke wet bestuurlijke maatregelen terrorismebestrijding Actueel

Inhoud

§ 2

Individuele maatregelen

Artikel 2

  1. Onze Minister kan, indien dat noodzakelijk is met het oog op de bescherming van de nationale veiligheid, aan een persoon die op grond van zijn gedragingen in verband kan worden gebracht met terroristische activiteiten of de ondersteuning daarvan, een maatregel opleggen, strekkende tot beperking van de vrijheid van beweging.

  2. Een maatregel kan bestaan uit:

    1. een verplichting om zich op door Onze Minister vast te stellen tijdstippen te melden bij een door Onze Minister aangewezen politiechef of organisatie;

    2. een verbod om zich te bevinden in of in de omgeving van een of meer bepaalde objecten dan wel in een bepaald gedeelte of bepaalde delen van Nederland, dat niet groter is of die niet groter zijn dan strikt noodzakelijk voor de bescherming van de nationale veiligheid;

    3. een verbod om zich te bevinden in de nabijheid van een of meer bepaalde personen.

Artikel 2a

  1. Indien dat noodzakelijk is met het oog op de naleving van een verbod als bedoeld in artikel 2, tweede lid, onderdeel b, kan Onze Minister besluiten tot het toepassen van een technische voorziening waarmee toezicht wordt gehouden op de naleving van dat verbod.

  2. Het in het eerste lid bedoelde besluit wordt ingetrokken zodra het niet meer noodzakelijk is met het oog op de naleving van een verbod als bedoeld in artikel 2, tweede lid, onderdeel b.

  3. Artikel 4, vijfde lid, is van overeenkomstige toepassing op de bekendmaking van een besluit op grond van het eerste lid.

  4. Voor de toepassing van de in het eerste lid bedoelde technische voorziening kan Onze Minister een krachtens algemene maatregel van bestuur aangewezen reclasseringsinstelling aanwijzen.

  5. Onze Minister kan algemene en bijzondere aanwijzingen geven ter zake van de toepassing van de in het eerste lid bedoelde technische voorziening.

Artikel 3

Onze Minister kan, indien dat noodzakelijk is met het oog op de bescherming van de nationale veiligheid, aan een persoon een verbod opleggen het Schengengebied te verlaten, indien ten aanzien van deze persoon het gegronde vermoeden bestaat dat deze zich buiten dit grondgebied zal begeven met als doel zich aan te sluiten bij een organisatie die is geplaatst op de lijst van organisaties, bedoeld in artikel 14, vierde lid, van de Rijkswet op het Nederlanderschap.

Artikel 4

  1. Een maatregel als bedoeld in de artikelen 2 en 3 wordt opgelegd voor een periode van ten hoogste zes maanden, maar niet langer dan strikt noodzakelijk is voor de bescherming van de nationale veiligheid. De maatregel kan worden verlengd met een telkens door Onze Minister vast te stellen periode van ten hoogste zes maanden.

  2. Indien dat aanvaardbaar is met het oog op de bescherming van de nationale veiligheid kan Onze Minister op aanvraag tijdelijk ontheffing verlenen van een of meer verplichtingen die voortvloeien uit een opgelegde maatregel. Onze Minister kan aan de ontheffing voorschriften verbinden.

  3. Onze Minister wijzigt een opgelegde maatregel ten gunste van de betrokkene of trekt hem in, indien nieuwe feiten of omstandigheden daartoe aanleiding geven. Onze Minister kan op grond van nieuwe feiten of omstandigheden een maatregel wijzigen ten nadele van de betrokkene.

  4. Een maatregel wordt in ieder geval ingetrokken zodra deze niet langer noodzakelijk is met het oog op de bescherming van de nationale veiligheid.

  5. Indien de situatie dermate spoedeisend is dat Onze Minister de beslissing tot het opleggen, wijzigen of verlengen van een maatregel niet tevoren op schrift kan stellen, maakt Onze Minister de beslissing op een door hem te bepalen wijze aan de betrokkene bekend. In dat geval zorgt hij alsnog onverwijld voor de opschriftstelling en voor de bekendmaking aan belanghebbende overeenkomstig artikel 3:41 van de Algemene wet bestuursrecht.

Artikel 5

  1. De rechtbank behandelt het beroep tegen een besluit omtrent het opleggen, wijzigen, verlengen of intrekken van een maatregel als bedoeld in de artikelen 2 en 3, een besluit omtrent het toepassen van een technische voorziening als bedoeld in artikel 2a, eerste lid, en een besluit omtrent het verlenen van een ontheffing als bedoeld in artikel 4, tweede lid, met toepassing van artikel 8:52 van de Algemene wet bestuursrecht.

  2. De rechtbank houdt bij de beoordeling van het beroep rekening met feiten en omstandigheden die na het nemen van het bestreden besluit zijn opgekomen, tenzij de goede procesorde zich daartegen verzet of de afdoening van de zaak daardoor ontoelaatbaar wordt vertraagd. De rechtbank verzoekt Onze Minister om zo spoedig mogelijk schriftelijk aan de wederpartij en de rechtbank te laten weten of de ingeroepen feiten en omstandigheden aanleiding zijn voor handhaving, wijziging of intrekking van het bestreden besluit.

← terug naar Tijdelijke wet bestuurlijke maatregelen terrorismebestrijding