-
Indien Onze Minister voornemens is over te gaan tot een aanwijzing als bedoeld in artikel 9.2, eerste lid, stelt Onze Minister vast of de aanwijzing een onredelijke last in de zin van artikel 12, eerste lid, van richtlijn nr. 2002/22/EG kan vormen voor degene die wordt aangewezen als universeledienstverlener. Onze Minister kan voorafgaand aan die vaststelling het college vragen om advies.
-
Indien Onze Minister vaststelt dat het aanwijzen van een universeledienstverlener geen onredelijke last kan vormen voor degene die wordt aangewezen, wordt de aanbieder, bedoeld in het vierde lid, aangewezen als universeledienstverlener. Het derde tot en met negende lid en de artikelen 9.4 en 9.5 zijn niet van toepassing.
-
Indien Onze Minister vaststelt dat de aanwijzing een onredelijke last kan vormen voor degene die wordt aangewezen als universeledienstverlener maakt Onze Minister het voornemen over te gaan tot een aanwijzing bekend in de Staatscourant. In die bekendmaking worden de te verzorgen dienst of voorziening, het verzorgingsgebied en de periode waarvoor de aanwijzing zal gelden vermeld en wordt gewezen op de in het vijfde lid geregelde mogelijkheid een bod uit te brengen op de aanwijzing.
-
Onze Minister maakt op de datum van de in het derde lid bedoelde bekendmaking het voornemen voorts bekend aan:
in het geval van een te verzorgen dienst, bedoeld in artikel 9.1, eerste lid, onderdeel a: de aanbieder van het openbare elektronische communicatienetwerk waarop in het verzorgingsgebied de meeste eindgebruikers zijn aangesloten;
in het geval van een te verzorgen dienst, bedoeld in artikel 9.1, eerste lid, onderdeel b tot en met f: de aanbieder van de te verzorgen openbare elektronische communicatiedienst, of, bij het ontbreken daarvan, een daarmee samenhangende dienst, waarvan in het verzorgingsgebied de meeste eindgebruikers gebruik maken; of
in het geval van een te verzorgen voorziening: de aanbieder van de met de te verzorgen voorziening samenhangende openbare elektronische communicatiedienst waarvan in het verzorgingsgebied de meeste eindgebruikers gebruik maken.
Daarbij wordt gewezen op de in het vijfde lid geregelde verplichting voor deze aanbieder een bod uit te brengen op de aanwijzing.
-
Binnen acht weken na de datum van de in het derde lid, bedoelde bekendmaking kan bij Onze Minister een bod worden uitgebracht op de aanwijzing en brengt de aanbieder, bedoeld in het vierde lid, in ieder geval zijn bod uit.
-
Bij ministeriële regeling wordt bepaald of een bod wordt uitgebracht door:
het opgeven van een bedrag per jaar, of
het opgeven van een bedrag per in de ministeriële regeling aangewezen eenheid van het gebruik of de af te nemen voorziening.
Bij ministeriële regeling kan worden bepaald dat aanvullend op het bod een van het gebruik onafhankelijk bedrag wordt vergoed, en wat de hoogte is van dat bedrag.
-
Een bod wordt geweigerd indien de bieder naar verwachting de universele dienst niet naar behoren zal kunnen verzorgen.
-
Degene die het laagste bod heeft uitgebracht, dat niet op grond van het zevende lid is geweigerd, wordt aangewezen als universeledienstverlener.
-
Indien uit de in het achtste lid bedoelde vergelijking blijkt dat meer dan een bieder het laagste bod hebben uitgebracht, wordt door middel van het lot beslist wie van hen wordt aangewezen als universeledienstverlener.
Inhoud
Artikel 9.3
HISTORISCH
Je bekijkt een oudere officiële versie van 05-06-2012.
Deze versie geldt vanaf 05-06-2012.
01-07-2026
Huidig
01-09-2025
Historisch
01-07-2025
Historisch
28-06-2025
Historisch
01-01-2024
Historisch
01-06-2023
Historisch
19-04-2023
Historisch
01-05-2022
Historisch
02-03-2022
Historisch
01-07-2021
Historisch
21-12-2020
Historisch
04-12-2020
Historisch
01-10-2020
Historisch
11-07-2020
Historisch
01-03-2020
Historisch
01-01-2020
Historisch
01-07-2016
Historisch
30-04-2016
Historisch
01-01-2016
Historisch
11-03-2015
Historisch
11-12-2014
Historisch
01-08-2014
Historisch
25-01-2014
Historisch
01-01-2014
Historisch
01-04-2013
Historisch
15-03-2013
Historisch
01-01-2013
Historisch
01-10-2012
Historisch
30-06-2012
Historisch
05-06-2012
Historisch
08-02-2012
Historisch
16-07-2011
Historisch
31-03-2010
Historisch
01-01-2010
Historisch
28-12-2009
Historisch
01-10-2009
Historisch
01-09-2009
Historisch
01-07-2009
Historisch
01-01-2009
Historisch
15-10-2008
Historisch
01-07-2008
Historisch
01-04-2008
Historisch
03-03-2008
Historisch
02-11-2007
Historisch
01-10-2007
Historisch
12-09-2007
Historisch
17-08-2007
Historisch
20-07-2007
Historisch
30-06-2007
Historisch
07-02-2007
Historisch
01-02-2007
Historisch
13-12-2006
Historisch
01-09-2006
Historisch
08-03-2006
Historisch
01-01-2006
Historisch
01-07-2005
Historisch
01-09-2004
Historisch
19-05-2004
Historisch
21-05-2003
Historisch
01-01-2003
Historisch
29-05-2002
Historisch
01-01-2002
Historisch
Vergelijking met vorige versie
Vergeleken met 19-05-2004
Tekst van deze versie
- DegeneIndien dieOnze opMinister grondvoornemens vanis over te gaan tot een opdrachtaanwijzing als bedoeld in artikel 9.2, eerste lid, openbarestelt elektronischeOnze communicatiedienstenMinister vast of voorzieningende verzorgtaanwijzing een onredelijke last in de zin van artikel 12, eerste lid, van richtlijn nr. 2002/22/EG kan binnenvormen eenvoor half jaar na afloop van een kalenderjaar waarin hijdegene die dienstenwordt ofaangewezen voorzieningenals heeftuniverseledienstverlener. verzorgdOnze bijMinister kan voorafgaand aan die vaststelling het college een aanvraag indienenvragen om vergoeding van de in het afgelopen kalenderjaar bij de verzorging gemaakte nettokosten.advies.
- DeIndien nettokostenOnze zijnMinister devaststelt kostendat diehet een aanbieder als gevolgaanwijzen van een opdrachtuniverseledienstverlener geen onredelijke last kan vormen voor eendegene bepaaldedie dienstwordt ofaangewezen, voorzieningwordt maaktde aanbieder, bedoeld in het vierde lid, aangewezen als universeledienstverlener. Het derde tot en waartegenovermet alsnegende gevolglid en de artikelen 9.4 en 9.5 zijn niet van de bij of krachtens artikel 9.1 gestelde regels omtrent de betaalbaarheid geen vergoeding door eindgebruikers staat, verminderd met andere op geld waardeerbare voordelen die verband houden met de opdracht, waaronder begrepen immateriële voordelen. Bij ministeriële regeling kunnen ter uitvoering van bijlage IV, deel A, van richtlijn nr. 2002/22/EG nadere regels worden gesteld omtrent de berekening van de nettokosten.toepassing.
- EenIndien vergoedingOnze Minister vaststelt dat de aanwijzing een onredelijke last kan vormen voor degene die wordt slechtsaangewezen toegekendals voorzoveruniverseledienstverlener naarmaakt Onze Minister het oordeelvoornemen vanover te gaan tot een aanwijzing bekend in de Staatscourant. In die bekendmaking worden de te verzorgen dienst of voorziening, het college het bestaanverzorgingsgebied en de hoogteperiode vanwaarvoor de nettokostenaanwijzing zal gelden vermeld en wordt gewezen op grondde vanin het vijfde lid geregelde mogelijkheid een bod uit te brengen op de verstrekte gegevens voldoende is aangetoond. De vergoeding is niet hoger dan de door de aanvrager op grond van artikel 9.2, vijfde of zevende lid, voor het kalenderjaar waarop de aanvraag betrekking heeft verwachte nettokosten.aanwijzing.
-
IndienOnze eenMinister vergoedingmaakt wordtop toegekendde wordt dit onder vermeldingdatum van de in het tederde vergoedenlid bedragbedoelde bekendmaking het voornemen voorts bekend gemaakt in de Staatscourant.aan:
- Eenin vergoedinghet wordtgeval uitbetaald binnenvan een weekte nadatverzorgen dedienst, bedoeld in artikel 9.4,9.1, vijfdeeerste lid, bedoeldeonderdeel termijna: isde verstreken.aanbieder van het openbare elektronische communicatienetwerk waarop in het verzorgingsgebied de meeste eindgebruikers zijn aangesloten;
- in het geval van een te verzorgen dienst, bedoeld in artikel 9.1, eerste lid, onderdeel b tot en met f: de aanbieder van de te verzorgen openbare elektronische communicatiedienst, of, bij het ontbreken daarvan, een daarmee samenhangende dienst, waarvan in het verzorgingsgebied de meeste eindgebruikers gebruik maken; of
- in het geval van een te verzorgen voorziening: de aanbieder van de met de te verzorgen voorziening samenhangende openbare elektronische communicatiedienst waarvan in het verzorgingsgebied de meeste eindgebruikers gebruik maken.
Daarbij wordt gewezen op de in het vijfde lid geregelde verplichting voor deze aanbieder een bod uit te brengen op de aanwijzing.
- Binnen acht weken na de datum van de in het derde lid, bedoelde bekendmaking kan bij Onze Minister een bod worden uitgebracht op de aanwijzing en brengt de aanbieder, bedoeld in het vierde lid, in ieder geval zijn bod uit.
-
Bij ministeriële regeling wordt bepaald of een bod wordt uitgebracht door:
- het opgeven van een bedrag per jaar, of
- het opgeven van een bedrag per in de ministeriële regeling aangewezen eenheid van het gebruik of de af te nemen voorziening.
Bij ministeriële regeling kan worden bepaald dat aanvullend op het bod een van het gebruik onafhankelijk bedrag wordt vergoed, en wat de hoogte is van dat bedrag.
- Een bod wordt geweigerd indien de bieder naar verwachting de universele dienst niet naar behoren zal kunnen verzorgen.
- Degene die het laagste bod heeft uitgebracht, dat niet op grond van het zevende lid is geweigerd, wordt aangewezen als universeledienstverlener.
- Indien uit de in het achtste lid bedoelde vergelijking blijkt dat meer dan een bieder het laagste bod hebben uitgebracht, wordt door middel van het lot beslist wie van hen wordt aangewezen als universeledienstverlener.
Nog geen automatische verwijzingen.
Deze actie vereist een account
Log in of maak een account om arceringen, annotaties, tags en dossiers te gebruiken.