-
Ten aanzien van de instelling die zendtijd als bedoeld in artikel 1, onder hh, van de Mediawet heeft verkregen en die ingevolge artikel 3.3 een vergunning voor het gebruik van frequentieruimte op het terrein van de publieke omroep behoeft, blijft dat artikel voor dat doel buiten toepassing gedurende zes maanden na het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet, en indien binnen die termijn een aanvraag voor een vergunning is ingediend, ook nadien, tot zes weken na de datum van de beschikking waarbij op de aanvraag is beslist.
-
Zolang en voorzover artikel 3.3 buiten toepassing blijft ten aanzien van het gebruik van frequentieruimte op het terrein van de publieke omroep, blijft de Nederlandsche Omroep-Zender-Maatschappij «NOZEMA», genoemd in artikel 1 van de Radio-Omroep-Zender-Wet 1935, bevoegd gebruik te maken van de frequentieruimte op het terrein van de publieke omroep, voorzover die frequentieruimte aan haar overeenkomstig artikel 2 van de Radio-Omroep-Zender-Wet 1935 door Onze Minister is toegewezen.
-
Zolang en voorzover artikel 3.3 buiten toepassing blijft ten aanzien van het gebruik van frequentieruimte op het terrein van de publieke omroep, blijft de NOZEMA, in afwijking van artikel 10.16, bevoegd radiozendapparaten aan te leggen en te gebruiken ten behoeve van het verzorgen van diensten, waarbij gebruik wordt gemaakt van de frequentieruimte op het terrein van de publieke omroep.
-
Zolang en voorzover artikel 3.3 buiten toepassing blijft ten aanzien van het gebruik van frequentieruimte op het terrein van de publieke omroep, blijven de krachtens artikel 3.3 gestelde regels ten aanzien van het gebruik van frequentieruimte op het terrein van de publieke omroep ten aanzien van de NOZEMA eveneens buiten toepassing.
-
De frequentieruimte op het terrein van de publieke omroep die op het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet overeenkomstig artikel 2 van de Radio-Omroep-Zender-Wet 1935 door Onze Minister aan de NOZEMA is toegewezen, wordt door de NOZEMA uiterlijk zes maanden na het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet aan Onze Minister ter beschikking gesteld.
Inhoud
Artikel 20.14
Tekst van deze versie
-
Ten aanzien van de instelling die zendtijd als bedoeld in artikel 1, onder hh, van de Mediawet heeft verkregen en die ingevolge artikel 3.3 een vergunning voor het gebruik van frequentieruimte op het terrein van de publieke omroep behoeft, blijft dat artikel voor dat doel buiten toepassing gedurende zes maanden na het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet, en indien binnen die termijn een aanvraag voor een vergunning is ingediend, ook nadien, tot zes weken na de datum van de beschikking waarbij op de aanvraag is beslist.
-
Zolang en voorzover artikel 3.3 buiten toepassing blijft ten aanzien van het gebruik van frequentieruimte op het terrein van de publieke omroep, blijft de Nederlandsche Omroep-Zender-Maatschappij «NOZEMA», genoemd in artikel 1 van de Radio-Omroep-Zender-Wet 1935, bevoegd gebruik te maken van de frequentieruimte op het terrein van de publieke omroep, voorzover die frequentieruimte aan haar overeenkomstig artikel 2 van de Radio-Omroep-Zender-Wet 1935 door Onze Minister is toegewezen.
-
Zolang en voorzover artikel 3.3 buiten toepassing blijft ten aanzien van het gebruik van frequentieruimte op het terrein van de publieke omroep, blijft de NOZEMA, in afwijking van artikel 10.16, bevoegd radiozendapparaten aan te leggen en te gebruiken ten behoeve van het verzorgen van diensten, waarbij gebruik wordt gemaakt van de frequentieruimte op het terrein van de publieke omroep.
-
Zolang en voorzover artikel 3.3 buiten toepassing blijft ten aanzien van het gebruik van frequentieruimte op het terrein van de publieke omroep, blijven de krachtens artikel 3.3 gestelde regels ten aanzien van het gebruik van frequentieruimte op het terrein van de publieke omroep ten aanzien van de NOZEMA eveneens buiten toepassing.
-
De frequentieruimte op het terrein van de publieke omroep die op het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet overeenkomstig artikel 2 van de Radio-Omroep-Zender-Wet 1935 door Onze Minister aan de NOZEMA is toegewezen, wordt door de NOZEMA uiterlijk zes maanden na het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet aan Onze Minister ter beschikking gesteld.
Nog geen automatische verwijzingen.