Participatiewet

Inhoud
Hoofdstuk 1 Algemeen
Hoofdstuk 2 Rechten en plichten
Hoofdstuk 3 Algemene bijstand
Hoofdstuk 4 Aanvullende inkomensondersteuning en aanpassing bedragen
Hoofdstuk 5 Uitvoering
Hoofdstuk 6 Bevoegdheden en faciliteiten gemeenten
Hoofdstuk 7 Financiering, toezicht en informatie
Hoofdstuk 7a Overgangsrecht
Hoofdstuk 7b Tegemoetkoming door onze minister in verband met hoge energiekosten
Hoofdstuk 7c Tegemoetkoming in verband met alleenverdienersproblematiek
Hoofdstuk 8 Slotbepalingen

Artikel 34

HISTORISCH
  1. Onder vermogen wordt verstaan:

    1. de waarde van de bezittingen waarover de alleenstaande of het gezin beschikt of redelijkerwijs kan beschikken, verminderd met de aanwezige schulden. De waarde van de bezittingen wordt vastgesteld op de waarde in het economische verkeer bij vrije oplevering;

    2. middelen die worden ontvangen in de periode waarover algemene bijstand is toegekend, voorzover deze geen inkomen betreffen als bedoeld in de artikelen 32 en 33.

  2. Niet als vermogen wordt in aanmerking genomen:

    1. bezittingen in natura die naar hun aard en waarde algemeen gebruikelijk zijn dan wel, gelet op de omstandigheden van persoon en gezin, noodzakelijk zijn;

    2. het aanwezige vermogen voorzover dit minder bedraagt dan de van toepassing zijnde vermogensgrens, genoemd in het derde lid;

    3. spaargelden opgebouwd tijdens de periode waarin bijstand wordt ontvangen;

    4. het vermogen gebonden in de woning met bijbehorend erf, bedoeld in artikel 50, eerste lid, voorzover dit minder bedraagt dan € 67.500,00;

    5. vergoedingen voor immateriële schade als bedoeld in artikel 31, tweede lid, onderdelen l en m.

  3. De in het tweede lid, onderdeel b, bedoelde vermogensgrens is:

    1. voor een alleenstaande: € 8.000,00;

    2. voor een alleenstaande ouder: € 16.000,00;

    3. voor de gehuwden tezamen: € 16.000,00.

01-07-2026 Huidig 03-04-2026 Historisch 04-02-2026 Historisch 01-01-2026 Historisch
Voor dit artikel is er geen zichtbare wijziging ten opzichte van 01-01-2026.

Tekst van deze versie

  1. Onder vermogen wordt verstaan:

    1. de waarde van de bezittingen waarover de alleenstaande of het gezin beschikt of redelijkerwijs kan beschikken, verminderd met de aanwezige schulden. De waarde van de bezittingen wordt vastgesteld op de waarde in het economische verkeer bij vrije oplevering;

    2. middelen die worden ontvangen in de periode waarover algemene bijstand is toegekend, voorzover deze geen inkomen betreffen als bedoeld in de artikelen 32 en 33.

  2. Niet als vermogen wordt in aanmerking genomen:

    1. bezittingen in natura die naar hun aard en waarde algemeen gebruikelijk zijn dan wel, gelet op de omstandigheden van persoon en gezin, noodzakelijk zijn;

    2. het aanwezige vermogen voorzover dit minder bedraagt dan de van toepassing zijnde vermogensgrens, genoemd in het derde lid;

    3. spaargelden opgebouwd tijdens de periode waarin bijstand wordt ontvangen;

    4. het vermogen gebonden in de woning met bijbehorend erf, bedoeld in artikel 50, eerste lid, voorzover dit minder bedraagt dan € 67.500,00;

    5. vergoedingen voor immateriële schade als bedoeld in artikel 31, tweede lid, onderdelen l en m.

  3. De in het tweede lid, onderdeel b, bedoelde vermogensgrens is:

    1. voor een alleenstaande: € 8.000,00;

    2. voor een alleenstaande ouder: € 16.000,00;

    3. voor de gehuwden tezamen: € 16.000,00.

Nog geen automatische verwijzingen.

Deze actie vereist een account
Log in of maak een account om arceringen, annotaties, tags en dossiers te gebruiken.
← terug naar Participatiewet