Meststoffenwet Actueel

Inhoud

Hoofdstuk IX

Overgangs- en slotbepalingen

Artikel 74

  1. Voor de toepassing van de artikelen 19 en 20, eerste lid, wordt ten aanzien van een bedrijf dat geheel of gedeeltelijk is gelegen in een concentratiegebied, van het op dat bedrijf rustende varkensrecht onderscheidenlijk pluimveerecht dat deel buiten beschouwing gelaten dat in de periode met ingang van 23 april 2010 tot het tijdstip van inwerkingtreding van dit artikel, is overgegaan van een bedrijf dat geheel of gedeeltelijk is gelegen buiten dat concentratiegebied.

  2. Het is verboden varken, kippen of kalkoenen te houden op een locatie gelegen in een concentratiegebied indien deze varkens-, kippen- of kalkoenenhouderij na 22 april 2010 binnen een bedrijf is verplaatst van een locatie gelegen buiten dat concentratiegebied.

Artikel 75a

  1. De artikelen 32 en 32a zoals die luidden onmiddellijk voor het tijdstip van inwerkingtreding van artikel I, onderdelen B en C, van de Wet wijziging Meststoffenwet in verband met de maximale mestproductie, blijven van toepassing op de overgang van een productierecht, of gedeelte daarvan, waarvan voor dat tijdstip een kennisgeving als bedoeld in artikel 27, eerste lid, heeft plaatsgevonden.

  2. Afroming als bedoeld in artikel 33, eerste lid, vindt niet plaats als de bedrijfsoverdracht, bedoeld in dat lid, heeft plaatsgevonden voor het tijdstip van inwerkingtreding van artikel I, onderdeel D, van de Wet wijziging Meststoffenwet in verband met de maximale mestproductie, en binnen 30 dagen na die bedrijfsoverdracht daarvan overeenkomstig artikel 33, derde lid, kennis is gegeven.

Artikel 75b

Artikel 1, onderdeel kk, zoals dat luidde onmiddellijk voor het tijdstip van inwerkingtreding van artikel I, onderdeel A, van de wet van [PM datum]23 februari 2022 tot wijziging van de Meststoffenwet in verband met het begrip melkvee en enkele andere wijzigingen betreffende het stelsel van fosfaatrechten, blijft van toepassing voor de toepassing van het bij of krachtens artikel 23, derde, vijfde, zesde en negende lid, bepaalde en voor de berekening van:

  1. een melkveefosfaatreferentie;

  2. het melkveefosfaatoverschot dat in het jaar 2014 is ontstaan, bedoeld in artikel 21, derde lid;

  3. het aantal additionele kilogrammen fosfaat, bedoeld in artikel 21, derde lid, in een kalenderjaar voorafgaand aan het in de aanhef bedoelde tijdstip van inwerkingtreding, en

  4. het overschot per hectare, bedoeld in artikel 21, derde lid, in een kalenderjaar voorafgaand aan het in de aanhef bedoelde tijdstip van inwerkingtreding.

Artikel 76

  1. De verschillende artikelen van deze wet, of onderdelen daarvan, komen te vervallen op een bij algemene maatregel van bestuur te bepalen tijdstip dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden bepaald.

  2. Op het in het eerste lid bedoelde tijdstip vervallen in artikel 1a van de Wet op de economische delicten de verwijzingen naar de betrokken artikelen of onderdelen.

  3. Een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in het eerste lid wordt aan beide kamers der Staten-Generaal overgelegd. Hij treedt in werking op een tijdstip dat nadat vier weken na de overlegging zijn verstreken bij koninklijk besluit wordt vastgesteld, tenzij binnen die termijn door of namens een der kamers of door ten minste een vijfde van het grondwettelijk aantal leden van een der kamers de wens te kennen wordt gegeven dat het onderwerp bij wet wordt geregeld. In dat geval wordt een daartoe strekkend voorstel van wet zo spoedig mogelijk ingediend. Indien het voorstel van wet wordt ingetrokken of indien een van beide kamers van de Staten-Generaal besluit het voorstel niet aan te nemen, wordt de algemene maatregel van bestuur ingetrokken.

Artikel 77

  1. Hoofdstuk V, titels 1 tot en met 5, en artikel 33Ac vervallen op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip.

  2. De voordracht voor het koninklijk besluit, bedoeld in het eerste lid, wordt niet eerder gedaan dan twee weken nadat het ontwerp ervan aan beide kamers der Staten-Generaal is overgelegd. Indien een der kamers der Staten-Generaal besluit niet in te stemmen met het ontwerp, wordt er geen voordracht gedaan en kan niet eerder dan zes weken na het besluit van die kamer der Staten-Generaal een nieuw ontwerp aan beide kamers der Staten-Generaal worden overgelegd.

Artikel 77a

  1. De artikelen 21b, 22a, 23, derde tot en met negende lid, 32a, 33Aa, 33Ab en 38a vervallen op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip.

  2. De voordracht voor het koninklijk besluit, bedoeld in het eerste lid, wordt niet eerder gedaan dan twee weken nadat het ontwerp ervan aan beide kamers der Staten-Generaal is overgelegd. Indien een der kamers der Staten-Generaal besluit niet in te stemmen met het ontwerp, wordt er geen voordracht gedaan en kan niet eerder dan zes weken na het besluit van die kamer der Staten-Generaal een nieuw ontwerp aan beide kamers der Staten-Generaal worden overgelegd.

← terug naar Meststoffenwet