1. De griffier stelt de Nederlandsche Bank N.V. onverwijld in kennis van het vonnis tot faillietverklaring en van de machtigingen, bedoeld in artikel 213aga, eerste lid, en artikel 213agb, eerste lid.

  2. De Nederlandsche Bank N.V. stelt onverwijld daarna de toezichthoudende autoriteiten van alle andere lidstaten in kennis van het vonnis tot faillietverklaring en van de machtigingen, bedoeld in artikel 213aga, eerste lid en artikel 213agb, eerste lid alsmede van de mogelijke gevolgen daarvan in het desbetreffende geval.