1. Indien De Nederlandsche Bank N.V. of de Afwikkelingsraad, genoemd in artikel 42 van de verordening gemeenschappelijk afwikkelingsmechanisme, naar gelang welke autoriteit bevoegd is, oordeelt ten aanzien van een bank dat aan de voorwaarden, bedoeld in artikel 18, eerste lid, onderdelen a en b, van de verordening gemeenschappelijk afwikkelingsmechanisme is voldaan, maar dat een afwikkelingsmaatregel niet in het algemeen belang, bedoeld in onderdeel c van dat artikel, is, verzoekt De Nederlandsche Bank N.V. binnen een redelijke termijn de rechtbank Amsterdam het faillissement van de bank uit te spreken.

  2. Een ander dan De Nederlandsche Bank N.V. kan niet het faillissement van een bank die een door de Europese Centrale Bank of De Nederlandsche Bank N.V. verleende vergunning heeft aanvragen.

  3. Een bank die een door de Europese Centrale Bank of De Nederlandsche Bank N.V. verleende vergunning heeft kan aangifte doen van haar eigen faillissement. In dat geval stelt de rechtbank De Nederlandsche Bank N.V. en al naar gelang de bevoegdheidsverdeling op grond van de artikelen 4 en 6 van de verordening bankentoezicht, tevens de Europese Centrale Bank, onverwijld in kennis van deze aangifte.

  4. De rechtbank beslist niet op de aangifte, bedoeld in het derde lid, voordat:

    1. De Nederlandsche Bank N.V. de rechtbank in kennis heeft gesteld dat zij of de Afwikkelingsraad, genoemd in artikel 42 van de verordening gemeenschappelijk afwikkelingsmechanisme, al naar gelang welke autoriteit bevoegd is, niet voornemens is een afwikkelingsmaatregel als bedoeld in artikel 3A:1 van de Wet op het financieel toezicht te nemen met betrekking tot de bank; of

    2. een termijn van zeven dagen na dagtekening van de kennisgeving bedoeld in het derde lid is verstreken.