1. Bij het opleggen van een last onder dwangsom door de RDI staat het bevorderen van normconform gedrag centraal.

  2. De RDI kan een last onder dwangsom opleggen strekkende tot herstel van een geconstateerde overtreding. De RDI kan voorts een last onder dwangsom opleggen om te voorkomen dat een overtreding wordt begaan dan wel ter voorkoming van herhaling, indien het gevaar daarvoor klaarblijkelijk dreigt.

  3. Het opleggen van een last onder dwangsom laat de bevoegdheid om voor dezelfde overtreding een punitieve sanctie op te leggen onverlet.

  4. Indien de RDI een dwangsombesluit neemt, omschrijft de last onder dwangsom de te nemen herstelmaatregelen. Indien de dwangsom strekt tot het ongedaan maken van een overtreding of het voorkomen van verdere overtreding, wordt een begunstigingstermijn gesteld waarbinnen de overtreder de last kan uitvoeren zonder dat een dwangsom wordt verbeurd.

  5. Indien de RDI een last onder dwangsom oplegt, stelt de RDI de hoogte van de dwangsom vast op een bedrag dat in redelijke verhouding staat tot de zwaarte van het door de overtreding geschonden belang, de maatschappelijke impact, de mogelijke schade voor derden en de beoogde werking van de last onder dwangsom. Het bedrag moet een voldoende prikkel zijn om de overtreder te stimuleren de overtreding te beëindigen binnen de begunstigingstermijn. Daarbij kan ook rekening worden gehouden met het met de overtreding te behalen financiële voordeel en onder omstandigheden, met het oog op de beoogde werking van de dwangsom, met de omvang van de overtreder. Daarnaast stelt de RDI in een dwangsombesluit een maximumbedrag vast waarboven geen verdere dwangsom meer wordt verbeurd.

  6. Indien de RDI een last onder dwangsom oplegt die strekt tot beëindiging van een vastgestelde overtreding, stelt de RDI een zo kort mogelijke begunstigingstermijn vast. Bij het bepalen van de begunstigingstermijn houdt de RDI rekening met de noodzaak tot herstel op korte termijn en de termijn waarbinnen redelijkerwijs verwacht kan worden dat de overtreder tot herstel kan komen.

  7. In artikel 5.1 is een categorie-indeling opgenomen met daarin de uitgangspunten voor het vaststellen van de hoogte van een dwangsom per categorie. De RDI past de uitgangspunten uit artikel 5.1 in beginsel toe. De RDI kan hiervan afwijken indien zij dat passend acht in het licht van de omstandigheden van het geval. Indien de RDI van deze uitgangspunten afwijkt, motiveert zij in het dwangsombesluit waarom de afwijking passend wordt geacht.

  8. Indien de RDI meerdere overtredingen vaststelt, kan de RDI in één dwangsombesluit meerdere lasten onder dwangsom opleggen. Per overtreden norm zal de RDI de hoogte van de dwangsom conform het bepaalde in artikel 5.1 vaststellen.

  9. Indien sprake is van samenloop of samenhang van overtredingen van twee of meer bepalingen die op grond van artikel 5.1 in een andere categorie zijn ingedeeld en die zich ervoor lenen dat de RDI één last onder dwangsom oplegt, gaat de RDI voor wat betreft de hoogte van de op te leggen last onder dwangsom uit van de overtreding die in de hoogste van de bij de overtredingen betrokken categorieën is ingedeeld.

  10. Indien een overtreder een opgelegde last niet binnen de gestelde begunstigingstermijn naleeft, worden van rechtswege dwangsommen verbeurd. De RDI neemt een separaat besluit over de invordering van verbeurde dwangsommen.

  11. De last onder dwangsom kent in beginsel een maximale looptijd van twee jaar. De last onder dwangsom is in ieder geval uitgewerkt als de maximale dwangsom verbeurd is.

  12. Indien een dwangsombesluit is uitgewerkt terwijl de overtreding voortduurt, kan de RDI een nieuwe last onder dwangsom opleggen.

  13. Indien na oplegging van een last onder dwangsom één of meer dwangsommen zijn verbeurd en binnen vijf jaar na dat dwangsombesluit opnieuw een last onder dwangsom wordt opgelegd voor een overtreding van eenzelfde of soortgelijk wettelijk voorschrift, kunnen de in artikel 5.1 genoemde bedragen worden verdubbeld.