Burgerlijk Wetboek Boek 5

Inhoud
Boek 5 Zakelijke rechten
Titel 1 Eigendom in het algemeen
Titel 2 Eigendom van roerende zaken
Titel 3 Eigendom van onroerende zaken
Titel 4 Bevoegdheden en verplichtingen van eigenaars van naburige erven
Titel 5 Mandeligheid
Titel 6 Erfdienstbaarheden
Titel 7 Erfpacht
Titel 8 Opstal
Titel 9 Appartementsrechten

Artikel 99

Actueel
Je bekijkt de huidige officiële versie van 01-01-2024.
  1. Na het einde van de erfpacht heeft de voormalige erfpachter recht op vergoeding van de waarde van nog aanwezige gebouwen, werken en beplantingen, die door hemzelf of een rechtsvoorganger zijn aangebracht of van de eigenaar tegen vergoeding der waarde zijn overgenomen.

  2. In de akte van vestiging kan worden bepaald dat de erfpachter geen recht heeft op de in het eerste lid bedoelde vergoeding:

    1. indien aan de in erfpacht gegeven grond een andere functie was toegedeeld dan die van woningbouw;

    2. indien de erfpachter de gebouwen, werken en beplantingen niet zelf heeft bekostigd;

    3. indien de erfpacht geëindigd is door opzegging door de erfpachter;

    4. voor zover de gebouwen, werken en beplantingen onverplicht waren aangebracht en hij ze bij het einde van de erfpacht mocht wegnemen.

  3. De eigenaar is bevoegd van de door hem ingevolge dit artikel verschuldigde vergoeding af te houden hetgeen hij uit hoofde van de erfpacht van de erfpachter te vorderen heeft.

01-01-2024 Huidig 01-05-2023 Historisch

Vergelijking met vorige versie

Vergeleken met 01-05-2023

Tekst van deze versie

  1. Na het einde van de erfpacht heeft de voormalige erfpachter recht op vergoeding van de waarde van nog aanwezige gebouwen, werken en beplantingen, die door hemzelf of een rechtsvoorganger zijn aangebracht of van de eigenaar tegen vergoeding der waarde zijn overgenomen.

  2. In de akte van vestiging kan worden bepaald dat de erfpachter geen recht heeft op de in het eerste lid bedoelde vergoeding:

    1. indien aan de in erfpacht gegeven grond een andere bestemmingfunctie hadwas toegedeeld dan die van woningbouw;
    2. indien de erfpachter de gebouwen, werken en beplantingen niet zelf heeft bekostigd;

    3. indien de erfpacht geëindigd is door opzegging door de erfpachter;

    4. voor zover de gebouwen, werken en beplantingen onverplicht waren aangebracht en hij ze bij het einde van de erfpacht mocht wegnemen.

  3. De eigenaar is bevoegd van de door hem ingevolge dit artikel verschuldigde vergoeding af te houden hetgeen hij uit hoofde van de erfpacht van de erfpachter te vorderen heeft.

Nog geen automatische verwijzingen.

Deze actie vereist een account
Log in of maak een account om arceringen, annotaties, tags en dossiers te gebruiken.
← terug naar Burgerlijk Wetboek Boek 5