Burgerlijk Wetboek Boek 1

Inhoud
Boek 1 Personen- en familierecht
Titel 1 Algemene bepalingen
Titel 2 Het recht op de naam
Titel 3 Woonplaats
Titel 4 Burgerlijke stand
Afdeling 1 De ambtenaar van de burgerlijke stand
Afdeling 2 De registers van de burgerlijke stand en de bewaring daarvan
Afdeling 3 Akten van de burgerlijke stand en partijen bij deze akten
Afdeling 4 De akten van geboorte, van overlijden en de akten houdende attestaties de vita
Afdeling 5 Latere vermeldingen
Afdeling 6 Akten van inschrijving van bepaalde rechterlijke uitspraken
Afdeling 7 De bewijskracht van akten van de burgerlijke stand alsmede van afschriften en uittreksels
Afdeling 8 De openbaarheid van de akten van de burgerlijke stand
Afdeling 9 De aanvulling van de registers van de burgerlijke stand en de verbetering van de daarin voorkomende akten en latere vermeldingen
Afdeling 10 Inschrijving van buitenlandse akten en de rechterlijke last tot het opmaken van een vervangende akte van geboorte
Afdeling 11 De verklaring voor recht omtrent de rechtsgeldigheid in Nederland van een buitenlandse akte of uitspraak
Afdeling 12 Voorziening tegen de weigering tot het opmaken van een akte van de burgerlijke stand of tot een andere verrichting
Afdeling 13 Wijziging van de vermelding van het geslacht in de akte van geboorte
Afdeling 14 De Commissie van advies voor de zaken betreffende de burgerlijke staat en de nationaliteit
Titel 5 Het huwelijk
Titel 5A Het geregistreerd partnerschap
Titel 6 Rechten en verplichtingen van echtgenoten
Titel 7 De wettelijke gemeenschap van goederen
Titel 8 Huwelijkse voorwaarden
Titel 9 Ontbinding van het huwelijk
Titel 10 Scheiding van tafel en bed en ontbinding van het huwelijk na scheiding van tafel en bed
Titel 11 Afstamming
Titel 12 Adoptie
Titel 13 Minderjarigheid
Titel 14 Het gezag over minderjarige kinderen
Afdeling 1 Algemeen
Afdeling 2 Ouderlijk gezag
§ 1 Het gezamenlijk gezag van ouders binnen en buiten huwelijk en het gezag van één ouder na scheiding
Paragraaf 1a Het gezamenlijk gezag van ouders binnen een geregistreerd partnerschap
§ 2 Het gezag van ouders anders dan na scheiding
§ 2a Gezag na meerderjarigverklaring
§ 3 Het bewind van de ouders
Afdeling 3 Gemeenschappelijke bepalingen betreffende de gezagsuitoefening door de ouders en de gezagsuitoefening door één van hen
Afdeling 3A Gezamenlijk gezag van een ouder tezamen met een ander dan een ouder
Paragraaf 1 Het gezamenlijk gezag van rechtswege van een ouder tezamen met een ander dan een ouder
Paragraaf 2 Het gezamenlijk gezag van een ouder tezamen met een ander dan een ouder krachtens rechterlijke beslissing
Paragraaf 3 Gemeenschappelijke bepalingen inzake het gezamenlijk gezag van een ouder tezamen met een ander dan een ouder
Afdeling 4 Ondertoezichtstelling van minderjarigen
Afdeling 5 Beëindiging van het ouderlijk gezag
Afdeling 6 Voogdij
§ 1 Voogdij in het algemeen
§ 2 Voogdij door een der ouders opgedragen
§ 3 Voogdij door de rechter opgedragen
§ 4 Voogdij van rechtspersonen
§ 5 Ontslag van de voogdij
§ 6 Onbevoegdheid tot de voogdij
§ 7 Ondertoezichtstelling van onder voogdij staande minderjarigen
§ 8 Beëindiging van voogdij
§ 9 Het toezicht van de voogd over de persoon van de minderjarige
§ 10 Het bewind van de voogd
§ 11 De rekening en verantwoording bij het einde van de voogdij
Titel 15 Omgang en informatie
Titel 16 Curatele
Titel 17 Levensonderhoud
Titel 18 Afwezigheid, vermissing en vaststelling van overlijden in bepaalde gevallen
Titel 19 Onderbewindstelling ter bescherming van meerderjarigen
Titel 20 Mentorschap ten behoeve van meerderjarigen

Artikel 441

HISTORISCH
  1. Tijdens het bewind vertegenwoordigt de bewindvoerder bij de vervulling van zijn taak de rechthebbende in en buiten rechte. De bewindvoerder draagt zorg voor een doelmatige belegging van het vermogen van de rechthebbende, voor zover dit onder het bewind staat en niet besteed behoort te worden voor een voldoende verzorging van de rechthebbende. De bewindvoerder kan voorts voor de rechthebbende alle handelingen verrichten die aan een goed bewind bijdragen.

  2. Hij behoeft echter toestemming van de rechthebbende of, indien deze daartoe niet in staat of weigerachtig is, machtiging van de kantonrechter voor de volgende handelingen:

    1. beschikken en aangaan van overeenkomsten tot beschikking over een onder het bewind staand goed, tenzij de handeling als een gewone beheersdaad kan worden beschouwd of krachtens rechterlijk bevel geschiedt;

    2. een making of gift waaraan lasten of voorwaarden zijn verbonden, aannemen;

    3. geld lenen of de rechthebbende als borg of hoofdelijke medeschuldenaar verbinden;

    4. overeenkomen dat een boedel, waartoe de rechthebbende gerechtigd is, voor een bepaalde tijd onverdeeld wordt gelaten;

    5. het aangaan, buiten het geval van artikel 87 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, van een overeenkomst tot het beëindigen van een geschil, tenzij het voorwerp van het geschil een waarde van € 700 niet te boven gaat;

    6. andere bij de instelling van het bewind of nadien aangewezen handelingen.

  3. De kantonrechter kan ook aan de bewindvoerder een doorlopende machtiging met zodanige voorwaarden als hij geraden acht, verlenen om handelingen als in het vorige lid bedoeld te verrichten en een verleende machtiging te allen tijde wijzigen of intrekken.

  4. De bewindvoerder is, met uitsluiting van de rechthebbende, bevoegd de verdeling te vorderen van goederen, waarvan een onverdeeld aandeel tot zijn bewind behoort. Tot een verdeling, ook al geschiedt zij krachtens rechterlijk bevel, behoeft de bewindvoerder toestemming of machtiging overeenkomstig het tweede lid. De kantonrechter kan, in plaats van machtiging te verlenen, met overeenkomstige toepassing van artikel 181 van Boek 3 een onzijdig persoon benoemen, die in plaats van de bewindvoerder de rechthebbende bij de verdeling vertegenwoordigt.

  5. De bewindvoerder is, met uitsluiting van de rechthebbende, bevoegd een aan de rechthebbende opgekomen nalatenschap te aanvaarden. Tenzij de aanvaarding geschiedt met toestemming van de rechthebbende, kan de bewindvoerder niet anders aanvaarden dan onder het voorrecht van boedelbeschrijving.

05-07-2025 Huidig 01-07-2025 Historisch 01-01-2024 Historisch 01-07-2023 Historisch 01-05-2023 Historisch 01-01-2023 Historisch 01-10-2022 Historisch 01-01-2021 Historisch 01-01-2020 Historisch

Vergelijking met vorige versie

Vergeleken met 01-01-2020

Tekst van deze versie

  1. Tijdens het bewind vertegenwoordigt de bewindvoerder bij de vervulling van zijn taak de rechthebbende in en buiten rechte. De bewindvoerder draagt zorg voor een doelmatige belegging van het vermogen van de rechthebbende, voor zover dit onder het bewind staat en niet besteed behoort te worden voor een voldoende verzorging van de rechthebbende. De bewindvoerder kan voorts voor de rechthebbende alle handelingen verrichten die aan een goed bewind bijdragen.

  2. Hij behoeft echter toestemming van de rechthebbende of, indien deze daartoe niet in staat of weigerachtig is, machtiging van de kantonrechter voor de volgende handelingen:

    1. beschikken en aangaan van overeenkomsten tot beschikking over een onder het bewind staand goed, tenzij de handeling als een gewone beheersdaad kan worden beschouwd of krachtens rechterlijk bevel geschiedt;

    2. een making of gift waaraan lasten of voorwaarden zijn verbonden, aannemen;

    3. geld lenen of de rechthebbende als borg of hoofdelijke medeschuldenaar verbinden;

    4. overeenkomen dat een boedel, waartoe de rechthebbende gerechtigd is, voor een bepaalde tijd onverdeeld wordt gelaten;

    5. het aangaan, buiten het geval van artikel 87 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, van een overeenkomst tot het beëindigen van een geschil, tenzij het voorwerp van het geschil een waarde van € 700 niet te boven gaat;

    6. andere bij de instelling van het bewind of nadien aangewezen handelingen.

  3. De kantonrechter kan ook aan de bewindvoerder een doorlopende machtiging met zodanige voorwaarden als hij geraden acht, verlenen om handelingen als in het vorige lid bedoeld te verrichten en een verleende machtiging te allen tijde wijzigen of intrekken.

  4. De bewindvoerder is, met uitsluiting van de rechthebbende, bevoegd de verdeling te vorderen van goederen, waarvan een onverdeeld aandeel tot zijn bewind behoort. Tot een verdeling, ook al geschiedt zij krachtens rechterlijk bevel, behoeft de bewindvoerder toestemming of machtiging overeenkomstig het tweede lid. De kantonrechter kan, in stedeplaats van machtiging te verlenen, met overeenkomstige toepassing van artikel 181 van Boek 3 een onzijdig persoon benoemen, die in plaats van de bewindvoerder de rechthebbende bij de verdeling vertegenwoordigt.
  5. De bewindvoerder is, met uitsluiting van de rechthebbende, bevoegd een aan de rechthebbende opgekomen nalatenschap te aanvaarden. Tenzij de aanvaarding geschiedt met toestemming van de rechthebbende, kan de bewindvoerder niet anders aanvaarden dan onder het voorrecht van boedelbeschrijving.

Nog geen automatische verwijzingen.

Deze actie vereist een account
Log in of maak een account om arceringen, annotaties, tags en dossiers te gebruiken.
← terug naar Burgerlijk Wetboek Boek 1