1. Het is de exploitant van een openbare inrichting als bedoeld in artikel 2:27, respectievelijk de houder van een ontheffing als bedoeld in artikel 35 van de Alcoholwet, verboden in een door de burgemeester aangewezen gebied en binnen een door de burgemeester aangewezen periode in een openbare inrichting als bedoeld in artikel 2:27 respectievelijk op de plaats waarvoor de ontheffing geldt, drank te verstrekken in drinkgerei van glas, in flessen van glas en in blikjes.

  2. Het in het eerste lid gesteld verbod geldt niet:

    1. In het inpandige gedeelte van een openbare inrichting dan wel op daarbij horende, niet aan de weg gelegen terrassen, voor zover het glas en flessen van glas betreft, die niet in scherven uiteen kunnen vallen;

    2. In het inpandige gedeelte van een restaurant, van een afgescheiden restaurant gedeelte van een openbare inrichting, van een hotel of van een pension, dan wel op daarbij behorende, niet aan de weg gelegen terrassen.

  3. De burgemeester kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid gestelde verbod.