1. De geluidnormen als bedoeld in de artikelen 2.17, 2.19 en 2.20 van het Besluit en artikel 4:5 van deze verordening gelden niet voor door het college per kalenderjaar aan te wijzen collectieve festiviteiten gedurende de daarbij aan te wijzen dagen of dagdelen.

  2. De voorwaarden met betrekking tot de verlichting ten behoeve van sportbeoefening in de buitenlucht als bedoeld in artikel 4.113, eerste lid, van het Besluit gelden niet voor door het college per kalenderjaar aan te wijzen collectieve festiviteiten gedurende de daarbij aan te wijzen dagen of dagdelen.

  3. In een aanwijzing als bedoeld in het eerste en tweede lid, kan het college bepalen dat de aanwijzing slechts geldt in een of meer delen van de gemeente.

  4. In een aanwijzing als bedoeld in het eerste lid, kan het college het eindtijdstip bepalen en andere maximaal toelaatbare geluidniveaus vaststellen met dien verstande dat deze niet meer mogen bedragen dan 70 dB(A) én 82 dB(C), gemeten op de gevels van geluidgevoelige gebouwen.

  5. In een aanwijzing als bedoeld in het eerste lid mag het equivalente geluidniveau Leq,T, veroorzaakt door de inrichting, niet meer bedragen dan 55 dB(A) in een geluidgevoelige ruimte van een woning van derden, bij gesloten ramen en deuren van de woning.

  6. Muziek wordt uitsluitend binnen het gebouw van de inrichting ten gehore gebracht. Hierbij blijven ramen en deuren gesloten, behoudens voor het onmiddellijk doorlaten van personen of goederen.