1. Onverminderd het bepaalde in de artikelen 1:6 en 1:8 weigert de burgemeester de vergunning als bedoeld in artikel 2:28, indien:

    1. De exploitatie of de vestiging van de openbare inrichting in strijd is met het omgevingsplan;

    2. De exploitant of leidinggevende in enig opzicht van slecht levensgedrag is;

    3. De exploitant of leidinggevende niet de leeftijd van 21 jaar heeft bereikt;

    4. De exploitant of leidinggevende onder curatele is gesteld;

    5. De ingediende vergunningsaanvraag niet of niet langer overeenstemt met de feiten, welke relevant zijn voor de door de burgemeester te nemen of genomen beslissing;

    6. Indien de aanvrager geen verklaring omtrent gedrag met betrekking tot de leidinggevende overlegt die uiterlijk drie maanden voor de datum waarop de vergunningsaanvraag is ingediend, is afgegeven.

  2. Onverminderd het bepaalde in de artikel 1:6 en 1:8 kan de burgemeester de vergunning geheel of gedeeltelijk weigeren of intrekken, indien;

    1. Naar zijn oordeel moet worden aangenomen dat de woon- en leefsituatie in de omgeving van de openbare inrichting en/of de openbare orde op ontoelaatbare wijze nadelig worden beïnvloed door de aanwezigheid van de openbare inrichting;

    2. Aannemelijk is dat de exploitant of leidinggevende betrokken is, of hem ernstige nalatigheid kan worden verweten bij activiteiten in of vanuit de openbare inrichting, die een gevaar opleveren voor de openbare orde of een bedreiging vormen voor het woon- en leefklimaat in de omgeving van de openbare inrichting;

    3. Zich in of vanuit de openbare inrichting anderszins feiten en omstandigheden hebben voorgedaan, die de vrees wettigen dat het geopend blijven van de openbare inrichting gevaar oplevert voor de openbare orde of een bedreiging vormt voor het woon- en leefklimaat in de omgeving van de openbare inrichting;

    4. Er sprake is van een gewijzigde exploitatie, waarvoor geen nieuwe vergunning is aangevraagd.