1. Het college kan de schipper een verbod opleggen om met zijn schip, het openbaar water binnen te varen, een ligplaats in te nemen of in de haven op een ligplaats te verblijven, indien het schip gevaar, schade, hinder of nadelige gevolgen voor het milieu met zich meebrengt of met zich kan meebrengen.

  2. Het college kan de schipper een verbod opleggen om met zijn schip, een ligplaats in te nemen of in de haven op een ligplaats te verblijven, indien het schip in een dusdanig verwaarloosde toestand verkeert, of uiterlijke verschijning heeft dat het nadelige gevolgen met zich meebrengt voor het stadsschoon.

  3. De verboden als bedoeld in het eerste en het tweede lid worden pas opgelegd nadat is gebleken dat geen uitvoering is gegeven aan maatregelen die in de onderhavige gevallen door het college kunnen worden opgelegd of indien geen maatregelen mogelijk zijn ter voorkoming van de ongewenste situatie.

  4. De verboden als bedoeld in het eerste en tweede lid worden de schipper, eerst mondeling en bij het geen gevolg geven aan het verbod schriftelijk medegedeeld.