1. In deze afdeling wordt verstaan onder:

    1. boom: een houtachtig, overblijvend gewas met een stamdoorsnede van de stam van minimaal 10 centimeter op 1,3 meter hoogte boven het maaiveld;

    2. hakhout: één of meer bomen of boomvormers, die na te zijn geveld opnieuw op de stronk uitlopen;

    3. houtopstand: één of meer bomen, hakhout, een houtwal, een beplanting van bosplantsoen;

    4. houtwal: lijnvormig element (grondlichaam) als begrenzing door middel van een struiklaag of bomenlaag, langs wegen of tussen cultuurgronden, landbouwgronden, weilanden en percelen;

    5. kandelaberen: het uitdunnen van de kroon van een boom, waarbij de resterende takken tot ongeveer de helft van hun lengte worden teruggesnoeid, met dien verstande dat het in stand houden van de door kandelaberen ontstane kroonvorm onder het begrip knotten valt;

    6. knotten: periodiek geheel of gedeeltelijk verwijderen van uitgelopen takhout tot op de oude snoeiplaats bij de daarvoor geschikte bomen;

    7. monumentale boom en monumentale houtopstand: een boom of andere houtopstand, niet zijnde een boom, met een leeftijd van minimaal 80 jaar, een herdenkingsboom of een boom met een hoge dendrologische waarde;

    8. toekomstig monumentale boom en toekomstig monumentale houtopstand: een solitaire boom of houtopstand van minimaal 60 jaar oud die de potentie heeft om uit te groeien tot een monumentale boom of monumentale houtopstand.

  2. In deze afdeling wordt onder kappen mede verstaan rooien, met inbegrip van verplanten, alsmede het verrichten van handelingen, zowel boven- als ondergronds, die de dood of ernstige beschadiging of ontsiering van houtopstand ten gevolge kunnen hebben.

  3. Voor het bepalen van de stamomtrek en stamdoorsnede van een boom gelden de volgende richtlijnen:

    1. de stamomtrek en stamdoorsnede wordt gemeten op 1,3 meter boven het maaiveld;

    2. bij meerstammige bomen geldt de omtrek en doorsnede van de dikste stam.