1. Het is verboden in de openlucht afvalstoffen te verbranden buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer, zoals die wet luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet, of anderszins vuur aan te leggen, te stoken of te hebben.

  2. Mits geen sprake is van gevaar, overlast of hinder voor de omgeving, is het verbod niet van toepassing op:

    1. verlichting door middel van kaarsen, fakkels en dergelijke;

    2. sfeervuren zoals terrashaarden en vuurkorven, voor zover geen afvalstoffen worden verbrand;

    3. vuur voor koken, bakken en braden.

  3. Het verbod geldt niet als aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:

    • Het terrein waar het snoeihout wordt verbrand ligt buiten de bebouwde kom.

    • Het verbanden vindt plaats op minimaal 50 meter afstand van een woning of bebouwing van derden en houtopslag.

    • De afstand tussen rietgedekte bouwwerken en het vuur is minimaal 200 meter.

    • De afstand tussen bos, heide, veen en andere natuurgebieden en het vuur is minimaal 100 meter.

    • De afstand tussen het vuur en een rijksweg (A-weg), provinciale weg (N-weg), waterweg en spoorweg is minimaal 50 meter. Voor overige wegen is de afstand minimaal 20 meter.

    • De afstand tussen een hoogspanningstracé en het vuur bedraagt minimaal 40 meter. Indien de afstand minder dan 500 meter bedraagt, moet u een melding doen bij de netbeheerder.

    • De afstand tussen ondergrondse buisleidingen of kabeltracés is minimaal 25 meter.

    • Het verbanden vindt plaats op minimaal 10 meter buiten de kant van het oppervlakte water.

    • Het vuur is tot op 50 meter via een verhard pad bereikbaar voor een blusvoertuig van de brandweer.

    • Er wordt geen gevaar, schade of overlast voor derden veroorzaakt.

    • Het stoken vindt plaats onder toezicht van een meerderjarig persoon.

    • Het afval dat wordt verbrand, is schoon, droog, niet geverfd en niet verduurzaamd hout.

    • Het te verbranden snoeihout wordt geplaatst op een laag wit zand (brandbed) of een betonnen plaat.

    • De omgeving is vrij van brandbare materialen, zoals bladeren, gras en dergelijke.

    • Het verbranden mag niet plaatsvinden bij extreem droge weersomstandigheden. Dit is het geval als er door de brandweer een fase 2 of hoger is afgekondigd via www.natuurbrandrisico.nl.

    • Het verbranden mag niet plaatsvinden als de heersende windkracht groter is dan 6 op de schaal van Beaufort (10 meter per seconde).

  4. Het college kan ontheffing verlenen van het verbod

  5. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de ontheffing worden geweigerd ter bescherming van de flora en fauna.

  6. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door artikel 429, aanhef en onder 1˚ of 3˚, van het Wetboek van Strafrecht of bij of krachtens de Omgevingswet.