1. Het is verboden een kamerverhuurbedrijf te exploiteren zonder vergunning van het college of in afwijking van de aan die vergunning verbonden voorschriften.

  2. Onverminderd artikel 1:8 weigert het college de vergunning als de exploitatie van het kamerverhuurbedrijf in strijd is met het omgevingsplan;

  3. Onverminderd de artikelen 1:6 en 1:8 kan het college de vergunning geheel of gedeeltelijk weigeren, voor onbepaalde tijd geheel of gedeeltelijk intrekken, tijdelijk opschorten of wijzigen, als:

    1. naar haar oordeel moet worden aangenomen dat de woon- of leefsituatie in de omgeving van het kamerverhuurbedrijf of de openbare orde op ontoelaatbare wijze nadelig wordt beïnvloed;

    2. de exploitant of beheerder betrokken is of ernstige nalatigheid kan worden verweten bij activiteiten of strafbare feiten in of vanuit het gebouw, of toestaat of gedoogt dat in het gebouw strafbare feiten of activiteiten worden gepleegd, waarmee de openbare orde nadelig wordt beïnvloed;

    3. de exploitant of beheerder in enig opzicht van slecht levensgedrag is;

    4. er aanwijzingen zijn dat in een kamerverhuurbedrijf personen woonachtig zijn, die werkzaam zijn of zullen zijn in strijd met het bij of krachtens de Wet arbeid Vreemdelingen of Vreemdelingenwet 2000 bepaalde;

    5. redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de feitelijke situatie niet met het in de aanvraag vermelde in overeenstemming is of zal zijn.

  4. Bij de toepassing van de in het derde lid onder a genoemd belang houdt het college rekening met het karakter en de wijk, waarin het kamerverhuurbedrijf is gelegen of zal zijn gelegen en de spanning waaraan het woonmilieu ter plaatse reeds blootstaat of bloot zal komen te staan door de exploitatie.

  5. Paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) is niet van toepassing op de vergunning.