De burgemeester kan de vergunning intrekken:

  1. wanneer aannemelijk is dat de houder/beheerder van de inrichting betrokken is of hem ernstige nalatigheid kan worden verweten bij activiteiten in of vanuit de inrichting, die een gevaar opleveren voor de openbare orde en/of een bedreiging vormen voor het woon- of leefklimaat in de omgeving van de inrichting;

  2. indien de houder/beheerder van de inrichting toestaat, dan wel gedoogt dat in zijn inrichting strafbare feiten worden gepleegd;

  3. indien de houder/beheerder van de inrichting zich schuldig maakt aan discriminatie naar ras, geslacht, seksuele geaardheid, godsdienst of levensovertuiging ;

  4. indien zich in of vanuit de inrichting anderszins feiten hebben voorgedaan die de vrees wettigen dat het geopend blijven van de inrichting gevaar oplevert voor de openbare orde en/of een bedreiging vormt voor het woon- of leefklimaat in de omgeving van de inrichting;

  5. indien de houder/beheerder in strijd handelt met het bij of krachtens artikel 2.29 bepaalde;

  6. indien de houder/beheerder in strijd handelt met de aan de vergunning verbonden voorschriften;

  7. indien de omstandigheden op grond waarvan de vergunning is afgegeven zodanig zijn gewijzigd, dan wel de exploitatie van de inrichting op zodanige wijze plaatsvindt dat het woon- en leefklimaat in de naaste omgeving op ontoelaatbare wijze nadelig wordt beïnvloed;

  8. de exploitatie voor een periode van langer dan drie maanden is of wordt onderbroken;

  9. de houder, en/of beheerder(s) deze hoedanigheid heeft of hebben verloren.