1. De vergunning of ontheffing kan worden ingetrokken, geschorst of gewijzigd als:

    1. ter verkrijging daarvan onjuiste of onvolledige gegevens zijn verstrekt;

    2. op grond van een verandering van de omstandigheden of inzichten opgetreden na het verlenen van de vergunning of ontheffing, intrekking of wijziging noodzakelijk is vanwege het belang of de belangen ter bescherming waarvan de vergunning of ontheffing is vereist;

    3. de aan de vergunning of ontheffing verbonden voorschriften en beperkingen niet zijn of worden nagekomen;

    4. van de vergunning of ontheffing geen gebruik wordt gemaakt binnen een daarin gestelde termijn dan wel, bij het ontbreken van een gestelde termijn, binnen een redelijke termijn; of

    5. de houder dit verzoekt.

  2. In afwijking van het eerste lid kan een vergunning (of ontheffing) ook ingetrokken, geschorst of gewijzigd worden indien:

    1. de exploitant of leidinggevende van een openbare inrichting als bedoeld in artikel 2:28, eerste lid, in enig opzicht van slecht levensgedrag is;

    2. de exploitant of beheerder van een seksinrichting als bedoeld in artikel 3:1 in enig opzicht van slecht levensgedrag is;

    3. eventuele ander vergunning ontheffing benoemen, waarbij levensgedrag getoetst wordt bij de aanvraag.

  3. Het eerste lid is niet van toepassing op een omgevingsvergunning.