1. Indien een aanvraag voor een vergunning of ontheffing wordt ingediend minder dan drie weken vóór het tijdstip waarop de aanvrager de vergunning of ontheffing nodig heeft, kan het bestuursorgaan besluiten de aanvraag te weigeren, zoals ook is aangegeven in artikel 1:8, lid 2 van deze verordening.

  2. Voor bepaalde, door het bestuursorgaan aan te wijzen, vergunningen of ontheffingen kan de in het eerste lid genoemde termijn worden verlengd tot ten hoogste acht weken.

  3. In afwijking van het bepaalde in tweede lid gelden voor het indienen van aanvragen om evenementenvergunningen de volgende uiterste termijnen, voorafgaand aan de dag waarop het evenement start:

    1. voor een A-evenement als bedoeld in artikel 2:24, vierde lid (regulier evenement) 8 weken;

    2. voor een B-evenement als bedoeld in artikel 2:24, vierde lid (aandachtevenement) 12 weken;

    3. voor een C-evenement als bedoeld in artikel 2:24, vierde lid (risico-evenement) 16 weken.