1. De burgemeester kan in het belang van de openbare orde, het voorkomen of beperken van overlast, het voorkomen of beperken van aantasting van het woon- of leefklimaat, de veiligheid van personen of goederen, de gezondheid of de zedelijkheid aan een persoon die één of meerdere strafbare feiten of openbare orde verstorende handelingen heeft verricht als bedoeld in het Wetboek van Strafrecht welke bestraft worden met een geldboete van de tweede categorie of als bedoeld in de Algemene Plaatselijke Verordening, een tijdelijk verbod opleggen om gedurende ten hoogste zeven dagen niet in een of meer bepaalde delen van de gemeente op een openbare plaats aanwezig te zijn na tenminste één maal te zijn gewaarschuwd door de politie. De genoemde waarschuwingstermijn bedraagt ten hoogste één jaar.

  2. De burgemeester kan in het belang van de openbare orde, het voorkomen of beperken van overlast, het voorkomen of beperken van aantasting van het woon- of leefklimaat, de veiligheid van personen of goederen, de gezondheid of de zedelijkheid aan een persoon die één of meerdere strafbare feiten of openbare orde verstorende handelingen heeft verricht als bedoeld in het Wetboek van Strafrecht welke bestraft worden met een geldboete van de derde of vierde categorie, als bedoeld in de artikelen 2 en 3 van de Opiumwet, als bedoeld in enig artikel uit de Wet wapens en munitie of als bedoeld in artikel 3:19 van de Algemene Plaatselijke Verordening, zonder een voorafgaande waarschuwing een tijdelijk verbod opleggen om gedurende ten hoogste veertien dagen niet in een of meer bepaalde delen van de gemeente op een openbare plaats aanwezig te zijn.

  3. In afwijking van het eerste en tweede lid kan de burgemeester bepalen dat het tijdelijk verbod, om niet in een of meer bepaalde delen van de gemeente op een openbare plaats aanwezig te zijn, alleen betrekking heeft op het tijdsvlak vrijdag 22:00 tot en met zaterdag 04:00, zaterdag 22:00 tot en met zondag 04:00 en/of algemeen erkende feestdagen van 22:00 tot en met 04:00, voor een maximale duur van zes maanden. Het hiervoor bedoelde tijdelijke verbod kan worden opgelegd wanneer een persoon binnen dit tijdsvlak de in het eerste of tweede lid bedoelde overtredingen heeft gepleegd.

  4. De burgemeester kan in het belang van de openbare orde aan diegene aan wie eerder een tijdelijk verbod als bedoeld in het eerste of tweede lid is gegeven en ten aanzien van wie binnen twaalf maanden na het opleggen van dit tijdelijke verbod wordt geconstateerd dat hij zich opnieuw gedraagt in strijd met de in het eerste of tweede lid bedoelde gedragingen een tijdelijke verbod opleggen om voor een tijdvak van ten hoogste twaalf weken niet aanwezig te zijn op de in dat tijdelijke verbod aangewezen plaats of gebied, waar of in de nabijheid waarvan, de genoemde gedragingen hebben plaatsgehad. In het geval de burgemeester de bevoegdheid uit lid drie heeft toegepast kan de periode maximaal worden verlengd met twaalf maanden.

  5. De burgemeester beperkt het in het eerste, tweede, derde of vierde lid opgelegde verbod, als dat in verband met de persoonlijke omstandigheden van betrokkene noodzakelijk is. De burgemeester kan op aanvraag tijdelijk ontheffing verlenen van een tijdelijk verbod.

  6. Het is verboden te handelen in strijd met een krachtens het eerste, tweede, derde of vierde lid opgelegd verbod.

  7. Als de officier van Justitie een persoon een gedragsaanwijzing heeft gegeven als bedoeld in artikel 509hh, tweede lid, onderdeel a, van het Wetboek van Strafvordering, legt de burgemeester aan deze persoon voor hetzelfde gebied niet een tijdelijk verbod op als bedoeld in het eerste, tweede, derde en vierde lid.