1. Een vergunning of ontheffing kan in ieder geval worden geweigerd in het belang van:

    1. de openbare orde (zoals het voorkomen of beperken van overlast);

    2. de openbare veiligheid (zoals de verkeersveiligheid en de veiligheid voor personen en goederen);

    3. de volksgezondheid (zoals zedelijkheid en het beperken of voorkomen van letsel of schade);

    4. de bescherming van het milieu (zoals het voorkomen of beperken van geluidsoverlast).

  2. Een vergunning of ontheffing kan ook geweigerd worden als redelijkerwijs moet worden aangenomen, dat de feitelijke toestand niet met het in de aanvraag vermelde in overeenstemming zal zijn.

  3. Een vergunning of ontheffing kan ook worden geweigerd als de aanvraag daarvoor minder dan acht weken voor de beoogde datum van de beoogde activiteit is ingediend en daardoor een behoorlijke behandeling van de aanvraag niet mogelijk is.

  4. Voor bepaalde door het bestuursorgaan aan te wijzen vergunningen of ontheffingen kan de in het derde lid genoemde termijn worden verlengd tot ten hoogste 26 weken.