Algemene Plaatselijke Verordening gemeente Noardeast-Fryslân 2020 BETA Foutje gevonden? Laatste controle 16-04-2026, laatste wijziging 12-04-2026 (Bron: lokaleregelgeving.overheid.nl).

Inhoud
Hoofdstuk Algemene bepalingen
Hoofdstuk Openbare orde en veiligheid, volksgezondheid en milieu
Paragraaf Afdeling 1. Voorkomen of bestrijden van ongeregeldheden
Paragraaf Afdeling 2. Bruikbaarheid, uiterlijk aanzien en veilig gebruik van de weg
Paragraaf Afdeling 3. Evenementen
Paragraaf Afdeling 4. Toezicht op openbare inrichtingen
Paragraaf Afdeling 5. Regulering paracommerciële rechtspersonen en overige aangelegenheden uit de Alcoholwet
Paragraaf Afdeling 7. Toezicht op speelgelegenheden
Paragraaf Afdeling 8. Maatregelen ter voorkoming van overlast, gevaar of schade
Paragraaf Afdeling 9. Bestrijding van heling van goederen
Paragraaf Afdeling 10. Consumentenvuurwerk
Paragraaf Afdeling 11. Drugsoverlast
Paragraaf Afdeling 12. Bijzondere bevoegdheden van de burgemeester
Hoofdstuk Sexinrichtingen, sexwinkels, straatprostitutie e.d.
Hoofdstuk Bescherming van het milieu en het natuurschoon en zorg voor het uiterlijk aanzien van de gemeente
Paragraaf Afdeling 1. Voorkomen of beperken geluidhinder en hinder door verlichting
Paragraaf Afdeling 2. Bodem-, weg- en milieuverontreiniging
Paragraaf Afdeling 3. Het bewaren van houtopstanden
Paragraaf Afdeling 4. Maatregelen tegen ontsiering en stankoverlast
Paragraaf Afdeling 5. Kamperen buiten kampeerterreinen
Hoofdstuk Andere onderwerpen betreffende de huishouding der gemeente
Hoofdstuk Sanctie-, overgangs- en slotbepalingen

Paragraaf

Afdeling 6. Openbaar water en waterstaatswerken

Artikel 5:24

Voorwerpen op, in of boven openbaar water

(Niet opgenomen)

Artikel 5:25

Ligplaats vaartuigen

  1. Het is de rechthebbende op een vaartuig verboden daarmee ligplaats in te nemen.

  2. Het in lid 1 gestelde verbod is niet van toepassing op het innemen van ligplaats:

    1. met een vaartuig aan een krachtens artikel 5:26 of bij een omgevingsplan als zodanig aangewezen ligoever dan wel in een bij omgevingsplan aangewezen haven of andere bij bestemmingsplan aangewezen gelegenheid die bestemd is om een vaartuig onder te brengen;

    2. met een vaartuig, behorende tot een categorie vaartuigen, waarvoor het verbod door het college op grond van het gestelde in lid 3, buiten toepassing is verklaard.

  3. Het bepaalde in het eerste en tweede lid is niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet, de provinciale omgevingsverordening of de waterschapsverordening of op situaties waarin wordt voorzien door het Besluit bouwwerken leefomgeving of het overige bepaalde bij of krachtens de Omgevingswet, de Wet milieubeheer of het Binnenvaartpolitiereglement.

  4. Het college kan van het in lid 1 gestelde verbod ontheffing verlenen.

  5. Het college kan aan het innemen, hebben of beschikbaar stellen van een ligplaats met dan wel voor een vaartuig, waarop het in lid 1 gestelde verbod krachtens het bepaalde in lid 2 onder a en b, lid 3 en lid 4 niet van toepassing is:

    1. nadere regels stellen in het belang van de openbare orde, volksgezondheid, veiligheid, milieuhygiëne en het aanzien van de gemeente;

    2. beperkingen stellen naar soort en aantal vaartuigen.

  6. Het in het eerste en tweede lid bepaalde geldt niet voor zover in het geregelde onderwerp wordt voorzien door de Woningwet, de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, de Wet milieubeheer, het Binnenvaartpolitiereglement, de Waterwet, de Wet beheer rijkswaterstaatswerken, de Provinciale Vaarwegenverordening Fryslân, de Provinciale landschapsverordening Fryslân en de Woonschepenverordening van de gemeente.

Artikel 5:26

Procedure met betrekking tot de aanwijzing van ligoevers

  1. Het college is bevoegd ligoevers aan te wijzen als bedoeld in artikel 5.25, tweede lid.

  2. Bij de aanwijzing kan worden bepaald dat deze slechts gedurende een bepaalde periode van kracht is en/of slechts voor één of meer categorieën vaartuigen zal gelden.

  3. Het college wint, alvorens tot ter inzage legging als bedoeld in lid 4 over te gaan, het advies in van, zoveel mogelijk, de publiekrechtelijke beheerder(s) van de betrokken oever(s) en het (de) betrokken water(en).

  4. Op de voorbereiding van een besluit als bedoeld in het eerste lid is de in afdeling 3.4 van de Awb geregelde procedure van toepassing.

  5. In de aanwijzing zelf wordt het tijdstip bepaald waarop zij in werking treedt.

Artikel 5:27

Aanleggen vaartuigen

  1. Het is de rechthebbende op een vaartuig verboden daarmee aan te leggen in of aan een rietkraag of aan of op een krachtens artikel 5:30 als zodanig aangewezen oever.

    1. Onverminderd het bepaalde in lid 1, is het de rechthebbende op een vaartuig verboden, daarmee langer dan gedurende ten hoogste drie achtereenvolgende dagen of gedeelten daarvan op dezelfde plaats aan te leggen.

    2. De rechthebbende op een vaartuig wordt geacht daarmee gedurende drie achtereenvolgende dagen of gedeelten daarvan op dezelfde plaats te hebben gelegen, indien dat vaartuig op die plaats door een met het toezicht op de naleving van de verordening belaste ambtenaar als bedoeld in artikel 6.2 wordt aangetroffen op enig tijdstip van de eerste van drie dagen en op enig tijdstip van de eerste dag na die drie dagen.

    3. De rechthebbende op een vaartuig wordt geacht op dezelfde plaats te zijn gebleven indien het vaartuig binnen een straal van 500 meter - hemelsbreed gemeten - gerekend vanaf de in lid a bedoelde aanlegplaats wordt aangetroffen.

    4. Het is de rechthebbende op een vaartuig verboden, met enig vaartuig binnen vijf dagen nadat het is verplaatst op de in lid 1, sub a, bedoelde plaats opnieuw aan te leggen.

  2. Het college kan van het in lid 1 gestelde verbod ontheffing verlenen voor zover het betreft een krachtens artikel 5:30 als zodanig aangewezen oever.

  3. Het bepaalde in het eerste en tweede lid is niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet, de provinciale omgevingsverordening of de waterschapsverordening of op situaties waarin wordt voorzien door het Besluit bouwwerken leefomgeving of het overige bepaalde bij of krachtens de Omgevingswet, de Wet milieubeheer of het Binnenvaartpolitiereglement.

Artikel 5:28

Ankeren

  1. Het is de rechthebbende op een vaartuig verboden daarmee te ankeren in een rietkraag of op een afstand van minder dan 5 meter vanuit een rietkraag, in een krachtens artikel 5:30 als zodanig aangewezen water of op een afstand van minder dan 5 meter vanuit een krachtens artikel 5:30 als zodanig aangewezen oever.

  2. Onverminderd het bepaalde in lid 1 is het de rechthebbende op een vaartuig verboden daarmee te ankeren anders dan gedurende de tijd die daadwerkelijk gebruikt wordt voor een permanent recreatief verblijf op of in de omgeving van het vaartuig.

  3. Burgemeester en wethouders kunnen van het in lid 1 en lid 2 gestelde verbod ontheffing verlenen voorzover het betreft een krachtens artikel 5:30 aangewezen water of oever.

Artikel 5:29

Varen

  1. Het is de rechthebbende op een vaartuig verboden daarmee door of in een rietkraag te varen.

  2. Onverminderd het bepaalde in lid 1 is het de rechthebbende op een vaartuig verboden daarmee te varen in een krachtens artikel 5:30 als zodanig aangewezen water.

  3. Het college kan van het in lid 2 gestelde verbod ontheffing verlenen.

Artikel 5:30

Procedure m.b.t. de aanwijzing van oevers en/of wateren waar het verboden is aan te leggen, te ankeren, of te varen

  1. Het college is bevoegd oevers en/of wateren aan te wijzen als bedoeld in artikel 5:27, artikel 5:28 en artikel 5:29, waar het verboden is aan te leggen, te ankeren of te varen.

  2. Ten aanzien van het gebruik van de in lid 1 bedoelde bevoegdheid zijn de leden 2 t/m 5 van artikel 5:26 van overeenkomstige toepassing.

Artikel 5:30a

Beschadigen van waterstaatswerken

  1. Het is verboden schade toe te brengen aan of veranderingen aan te brengen in de toestand van openbare wateren, havens, dijken, wallen, kaden, trekpaden, beschoeiingen, oeverbegroeiing, bruggen, zetten, duikers, pompen, waterleidingen, gordingen, aanlegpalen, stootpalen, bakens of sluizen die bij de gemeente in beheer zijn.

  2. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht, het Binnenvaartpolitiereglement of de provinciale omgevingsverordening.

Artikel 5:30b

Reddingsmiddelen

Het is verboden een voor het redden van drenkelingen bestemd en daartoe bij het water aangebracht voorwerp te gebruiken voor een ander doel dan wel voor dadelijk gebruik ongeschikt te maken.

Artikel 5:30c

Veiligheid op het water

  1. Het is aan een ieder die zich als bader of zwemmer in het openbaar water ophoudt, verboden zich zodanig te gedragen dat het scheepvaartverkeer daarvan hinder of gevaar kan ondervinden.

  2. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door het Binnenvaartpolitiereglement, de provinciale omgevingsverordening of het bepaalde bij of krachtens de Omgevingswet.

Artikel 5:31

Overlast aan vaartuigen

  1. Het is verboden zich zonder redelijk doel vast te houden aan een vaartuig in openbaar water, daarop te klimmen of zich daarop of daarin te begeven of te bevinden.

  2. Het is aan degene die daartoe niet bevoegd is verboden een vaartuig, liggend in of aan een openbaar water, los te maken.

← terug naar Algemene Plaatselijke Verordening gemeente Noardeast-Fryslân 2020