1. Het is de rechthebbende op een vaartuig verboden daarmee te ankeren in een rietkraag of op een afstand van minder dan 5 meter vanuit een rietkraag, in een krachtens artikel 5:30 als zodanig aangewezen water of op een afstand van minder dan 5 meter vanuit een krachtens artikel 5:30 als zodanig aangewezen oever.

  2. Onverminderd het bepaalde in lid 1 is het de rechthebbende op een vaartuig verboden daarmee te ankeren anders dan gedurende de tijd die daadwerkelijk gebruikt wordt voor een permanent recreatief verblijf op of in de omgeving van het vaartuig.

  3. Burgemeester en wethouders kunnen van het in lid 1 en lid 2 gestelde verbod ontheffing verlenen voorzover het betreft een krachtens artikel 5:30 aangewezen water of oever.