Het is verboden in de openlucht afvalstoffen te verbranden buiten inrichtingen in de zin van de Wet milieubeheer, zoals die wet luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet, of anderszins vuur aan te leggen, te stoken of te hebben.
Mits er geen sprake is van gevaar, overlast of hinder voor de omgeving, is het verbod niet van toepassing op:
verlichting door middel van kaarsen, fakkels en dergelijke;
sfeervuren zoals terrashaarden en vuurkorven, indien geen afvalstoffen worden verbrand en er, indien de wet Bodembescherming dit vereist, afdoende bodembeschermende maatregelen getroffen worden;
vuur voor koken, bakken en braden en er, indien de wet Bodembescherming dit vereist, afdoende bodembeschermende maatregelen getroffen worden;
Het college kan van dit verbod ontheffing verlenen.
Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de ontheffing worden geweigerd ter bescherming van de flora en fauna.
Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door artikel 429, aanhef en onder 1 of 3, van het Wetboek van Strafrecht, bij of krachtens de Omgevingswet.
Algemene Plaatselijke Verordening Midden-Groningen 2025 BETA Foutje gevonden?
Inhoud
Paragraaf
Artikel 5:34a
Verbod vervoeren brandbaar afval oud en nieuw
Het is verboden om op 31 december vanaf 15:00 uur tot 1 januari 12:00 uur brandbaar afvalmateriaal over de weg te vervoeren, bij zich te dragen of anderszins voorhanden te hebben met het kennelijke doel deze op de weg of een openbare plaats te (doen laten) verbranden. Onder brandbaar afvalmateriaal worden mede begrepen bankstellen, fauteuils, stoelen en overige huisraad, houten kratten, pallets, kisten, kerstbomen, en autobanden.
De politie en/of de gemeentelijke handhavers hebben de bevoegdheid om in de genoemde periode vervoerde afvalmaterialen als bedoeld in lid 1, met inbegrip van het vervoermiddel waarin of waarop deze zich bevinden, in beslag te nemen en te houden tot uiterlijk 12:00 uur van de eerst daaropvolgende werkdag. Na dit tijdstip mogen op last van de politie of toezichthouder de niet-afgehaalde materialen worden vernietigd.
Het verbod in lid 1 geldt niet als ter plaatse en naar bevredigend oordeel van een ambtenaar van de politie of toezichthouder van de gemeente wordt aangetoond, dat het vervoer en/of de aanwezigheid van de genoemde voorwerpen en stoffen gebeurt voor andere handelingen of voor een ander doel dan in lid 1 is genoemd.