1. Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester:

    1. een openbare inrichting te exploiteren;

    2. één of meer bij de openbare inrichting behorende terrassen te exploiteren;

  2. De burgemeester weigert de vergunning indien:

    1. de exploitatie van de openbare inrichting in strijd is met het omgevingsplan en hiervan niet bij of krachtens de Omgevingswet is afgeweken.

    2. de exploitant of de beheerder onder curatele staat;

    3. de exploitant of de beheerder van de inrichting is ontzet uit de ouderlijke macht of voogdij;

    4. de exploitant of de beheerder van de inrichting niet de leeftijd van 18 jaar heeft bereikt;

    5. de exploitant of de beheerder van de inrichting in enig opzicht van slecht levensgedrag is.

    6. indien de aanvrager geen verklaring omtrent het gedrag met betrekking tot de leidinggevende overlegt die uiterlijk drie maanden voor de datum waarop de aanvraag is ingediend, is afgegeven.

  3. Een exploitatievergunning wordt afgegeven voor een periode van vijf jaar, tenzij in de exploitatievergunning anders is vermeld;

  4. Een afschrift van de exploitatievergunning is in de inrichting aanwezig.

  5. In afwijking van het bepaalde in artikel 1:8 kan de burgemeester de vergunning geheel of gedeeltelijk weigeren, tijdelijk of voor onbepaalde tijd geheel of gedeeltelijk intrekken, tijdelijk opschorten of wijzigen, indien naar zijn oordeel moet worden aangenomen dat;

    1. de openbare orde gevaar loopt of het woon- of leefklimaat in de omgeving van de inrichting door de aanwezigheid van de inrichting nadelig wordt beïnvloed;

    2. aannemelijk is dat de exploitant of beheerder betrokken is, of hem ernstige nalatigheid kan worden verweten bij activiteiten in of vanuit de inrichting, die gevaar kunnen veroorzaken voor de openbare orde of een bedreiging vormen voor het woon- of leefklimaat in de omgeving van de inrichting;

    3. de exploitant of beheerder strafbare feiten pleegt in de inrichting, dan wel toestaat of gedoogt dat in zijn inrichting strafbare feiten worden gepleegd,

    4. de exploitant of de beheerder zich schuldig maakt aan discriminatie;

    5. zich in of vanuit de inrichting anderszins feiten hebben voorgedaan die de vrees wettigen dat het geopend blijven van de inrichting gevaar kan veroorzaken voor de openbare orde, veiligheid of zedelijkheid of een bedreiging vormt voor het woon- of leefklimaat in de omgeving van de inrichting,

    6. er sprake is van een gewijzigde exploitatie, met uitzondering van een wijziging in het beheer als bedoeld in artikel 2:30c, tweede lid, of een wijziging in de exploitant, waarvoor geen nieuwe exploitatievergunning is aangevraagd;

    7. de exploitant of beheerder in enig opzicht van slecht levensgedrag is;

    8. er aanwijzingen zijn dat in de openbare inrichting personen werkzaam zijn of zullen zijn in strijd met het bij of krachtens de Wet arbeid Vreemdelingen of Vreemdelingenwet 2000 bepaalde.

    9. de exploitant of de beheerder het bij of krachtens de bepalingen in deze paragraaf, dan wel de voorschriften behorende bij de vergunning, overtreedt;

  6. Bij de toepassing van de in het vijfde lid genoemde weigeringsgrond houdt de burgemeester rekening met het karakter van de straat en de wijk, waarin het horecabedrijf is gelegen of zal zijn gelegen, de aard van de openbare inrichting, de spanning, waaraan het woonmilieu ter plaatse reeds blootstaat of bloot zal komen te staan door de exploitatie van de openbare inrichting en de wijze van bedrijfsvoering door de exploitant of beheerder van de inrichting in deze of andere openbare inrichtingen.

  7. In afwijking van het bepaalde in artikel 2.10 beslist de burgemeester in geval van een vergunningaanvraag die ook betrekking heeft op een of meer bij de openbare inrichting behorende terrassen voor zover deze zich op de weg bevinden over de ingebruikneming van die weg ten behoeve van het terras.

  8. Onverminderd het gestelde in het derde en vierde lid kan de burgemeester de in het zevende lid bedoelde ingebruikneming van die weg ten behoeve van een of meer bij de openbare inrichting horende terrassen weigeren:

    1. indien het beoogde gebruik schade toebrengt aan de weg dan wel gevaar oplevert voor de bruikbaarheid van de weg of voor het doelmatig en veilig gebruik daarvan;

    2. indien dat gebruik een belemmering kan worden voor het doelmatig beheer en onderhoud van de weg.

    3. indien het gebruik afbreuk doet aan andere publieke functies van de openbare ruimte, inclusief de bescherming van het uiterlijk aanzien daarvan.

  9. De burgemeester kan gebieden aanwijzen waar bij het indienen van een aanvraag om een vergunning als bedoeld in het eerste lid een exploitatieplan moet worden vastgelegd, waarin de maatregelen staan beschreven die de aanvrager neemt om overlast in de omgeving van de openbare inrichting als gevolg van de exploitatie van de openbare inrichting te voorkomen.

  10. Het bepaalde in het vijfde en zesde lid geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet beheer rijkswaterstaatwerken of de Wegenverordening Zuid-Holland.

  11. Op de aanvraag om een vergunning of een vrijstelling is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing op de vergunning bedoeld in het eerste lid.