1. De geluidsnormen als bedoeld in de artikelen 2.17, 2.17a, 2.19, 2.19a en 2.20 van het Activiteitenbesluit milieubeheer en artikel 4:5 van deze verordening gelden niet op maximaal 8 door het college per kalenderjaar aan te wijzen collectieve festiviteitendagen gedurende de daarbij aan te wijzen dagen of dagdelen, met dien verstande dat het A-gewogen langtijdgemiddelde beoordelingsniveau (LAr, LT) en het A-gewogen maximale geluidsniveau (LAmax) niet hoger mogen zijn dan 18 dB boven de geluidsnorm genoemd in het eerste lid van artikel 2.17 van het Activiteitenbesluit milieubeheer dan wel in artikel 4:5 van deze verordening, om onduldbare hinder voor omwonenden te voorkomen. Het C-gewogen langtijdgemiddeld beoordelingsniveau mag niet meer dan 31 dB boven het boven de geluidsnorm genoemd in het eerste lid van artikel 2.17 van het Activiteitenbesluit milieubeheer dan wel in artikel 4:5 van deze verordening.

  2. De voorwaarden met betrekking tot de verlichting ten behoeve van sportbeoefening in de buitenlucht als bedoeld in artikel 3.148, eerste lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer gelden niet voor door het college per kalenderjaar aan te wijzen collectieve festiviteiten gedurende de daarbij aan te wijzen dagen of dagdelen.

  3. In een aanwijzing als bedoeld in het eerste lid en tweede lid, kan het college bepalen dat de aanwijzing slechts geldt in één of meer nader aan te wijzen delen van de gemeente.

  4. Het college maakt de aanwijzing tenminste vier weken voor het begin van een nieuw kalenderjaar bekend.

  5. Als een collectieve festiviteit redelijkerwijs niet te voorzien was, kan het college een festiviteit terstond als collectieve festiviteit als bedoeld in het eerste lid aanwijzen.

  6. (Gereserveerd)

  7. (Gereserveerd)

  8. Op de dagen bedoeld in het eerste lid wordt het ten gehore brengen van extra muziek – hoger dan de geluidsnorm als bedoeld in de artikel 2.17, 2.19 en 2.20 dan wel artikel 6.12 van het Activiteitenbesluit milieubeheer en artikel 4:5 – uiterlijk om 02.00 uur beëindigd.

  9. In bijzondere omstandigheden kan het college afwijken van hetgeen in het eerste lid is bepaald.