1. Het is verboden op door het college aangewezen plaatsen die buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer, zoals die wet luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet, in de openlucht en buiten de weg zijn gelegen, de volgende voorwerpen of stoffen op te slaan, te plaatsen of aanwezig te hebben:

    1. onbruikbare of aan hun oorspronkelijke bestemming onttrokken voer- of vaartuigen of onderdelen daarvan;

    2. kampeermiddelen als bedoeld in artikel 4:17 of onderdelen daarvan, voor zover het plaatsen of aanwezig hebben daarvan geschiedt voor verkoop of verhuur of anderszins voor een commercieel doel;

    3. mestopslag, gierkelder of andere verzamelplaatsen van vuil, een verzameling ingekuild gras, loof of pulp of ingekuilde landbouwproducten, afbraakmaterialen en oude metalen.

  2. Het verbod kan worden opgelegd:

    1. in het belang van het uiterlijk aanzien van de gemeente;

    2. ter voorkoming of beëindiging van overlast;

    3. ter voorkoming van schade aan de openbare gezondheid.

  3. De verboden gelden niet voor zover in het onderwerp wordt voorzien bij of krachtens de Omgevingswet of de provinciale omgevingsverordening.