Onverminderd het bepaalde in artikel 1.6 kan de burgemeester de vergunning intrekken of schorsen, als:

  1. aannemelijk is, dat een exploitant en/of leidinggevende van de inrichting betrokken is, of hem ernstige nalatigheid kan worden verweten bij activiteiten in of vanuit de inrichting, die een gevaar opleveren voor de openbare orde en/of een bedreiging vormen voor het woon- en/of leefklimaat in de omgeving van de inrichting;

  2. een exploitant of leidinggevende van de inrichting toestaat of gedoogt, dat in zijn inrichting strafbare feiten worden gepleegd;

  3. zich binnen de inrichting feiten hebben voorgedaan die de vrees wettigen dat het van kracht blijven van de vergunning gevaar oplevert voor de openbare orde, veiligheid en/of een bedreiging vormt voor het woon- en leefklimaat in de omgeving van de inrichting;

  4. een niet daarin vermelde persoon exploitant of leidinggevende van de inrichting is geworden;

  5. indien de bedrijfsuitoefening van de inrichting voor een periode van langer dan 3 maanden is of wordt onderbroken;

  6. indien niet langer wordt voldaan aan het bepaalde in of krachtens deze afdeling.