1. Het is verboden een vaartuig te plaatsen of geplaatst te houden of daarmee te varen op een door het college aangewezen waterplas.

  2. Het college kan van het in het eerste lid gestelde verbod ontheffing verlenen.

  3. Het bepaalde in het eerste lid geldt niet voor vaartuigen, die worden gebruikt bij baggerwerkzaamheden en voor vaartuigen die worden gebruikt voor de openbare dienst.

  4. Voor de toepassing van dit artikel worden onder vaartuigen mede verstaan kano’s en roei-, zeil- en motorvaartuigen, alsmede zeil-, sup- en surfplanken.