1. Het is verboden zonder voorafgaande vergunning van het bevoegde bestuursorgaan een openbare plaats anders te gebruiken dan overeenkomstig de publieke functie daarvan.

  2. Het verbod in het eerste lid geldt niet voor:

    1. evenementen als bedoeld in artikel 2:24;

    2. standplaatsen als bedoeld in artikel 5:17;

    3. voorwerpen of stoffen waarop gedachten of gevoelens worden geopenbaard.

  3. Het verbod in het eerste lid geldt tevens niet voor de volgende voorwerpen mits wordt voldaan aan het bepaalde in het vierde en aan de nadere regels uit hoofde van het vijfde lid:

    1. terrassen als bedoeld in artikel 2:27 sub b tenzij het een locatie of horecabedrijf betreft die is aangegeven op de nader door het college vast te stellen kaart;

    2. uitstallingen;

    3. bouwobjecten;

    4. reclameborden;

    5. plantenbakken en banken;

    6. voor opschriften of aankondigingen of afbeeldingen aangebracht in gebieden waarvoor in de gemeentelijke welstandsnota is bepaald dat welstandsniveau 0 (welstandsvrij) wordt gehanteerd, tenzij aangebracht:

      1. op, aan of bij een monument als bedoeld in de Monumentenwet 1988 of een monument als bedoeld in de in een provinciale of gemeentelijke Monumentenverordening, of

      2. in een beschermd stad- of dorpsgezicht als bedoeld in de Monumentenwet 1988.

    1. nader door het college aan te wijzen categorieën van voorwerpen.

  4. Degene die voornemens is bouwobjecten te plaatsen, doet daarvan uiterlijk 5 werkdagen tevoren een melding aan het college.

  5. Het bevoegde bestuursorgaan stelt nadere regels voor de categorieën genoemd in lid 3.

  6. Het verbod in het eerste lid geldt niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet beheer rijkswaterstaatswerken of het Provinciaal wegenreglement.

  7. In dit artikel wordt verstaan onder bevoegde bestuursorgaan: het college of, voorzover het betreft voor het publiek openstaande gebouwen en daarbij behorende erven als bedoeld in artikel 174 van de Gemeentewet, de burgemeester.

  8. Het bevoegde gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor het in het eerste lid bedoelde gebruik, voorzover dit een activiteit betreft als bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, onder sub j. of onder k. van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.