1. Degene die een activiteit verricht als bedoeld in dit hoofdstuk en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die activiteit nadelige gevolgen kan hebben voor de doelen, met het oog waarop de regels in deze afdeling zijn gesteld is verplicht:

    1. alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen;

    2. voor zover die niet kunnen worden voorkomen: die gevolgen zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken;

    3. als die gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt: die activiteit achterwege te laten voor zover dat redelijkerwijs van diegene kan worden gevergd.

  2. De zorgplicht in het eerste lid houdt voor het parkeren van een voertuig op de weg in ieder geval in dat:

    1. Parkeerruimte niet buitensporig lang wordt ingenomen;

    2. Een kennelijk verwaarloosd voertuig niet langer dan één maand op de weg wordt geparkeerd.