1. Het is verboden een terras bij een openbare inrichting in de zin van artikel 2:27, tweede lid, in te richten en te exploiteren zonder vergunning van de burgemeester.

  2. Onverminderd het bepaalde in de artikelen 1:8 en 2:28, tweede, derde en vierde lid, kan de burgemeester de vergunning als bedoeld in het eerste lid, geheel of gedeeltelijk weigeren, indien:

    1. Het terras hetzij op zichzelf, hetzij in verband met de omgeving, niet voldoet aan redelijke eisen van welstand;

    2. Het beoogde gebruik schade toebrengt aan de weg dan wel gevaar oplevert voor de bruikbaarheid van de weg of voor het doelmatig gebruik daarvan;

    3. Het gebruik een belemmering kan vormen voor het doelmatig beheer en onderhoud van de weg;

  3. Bij de toepassing van de in het tweede lid genoemde weigeringsgronden houdt de burgemeester rekening met het karakter van de straat of wijk waarin het terras is gelegen of zal zijn gelegen, de aard van het terras en de spanning waaraan het woonmilieu ter plaatse al blootstaat of bloot zal komen te staan door de exploitatie van het terras;

  4. Het bepaalde in het tweede lid, onderdelen ben c, geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een weg of waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet, provinciale omgevingsverordening of waterschapsverordening of op situaties waarin wordt voorzien door artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994

  5. Op de aanvraag om een vergunning, bedoeld in het eerste lid, is paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.