1. De burgemeester kan ter bescherming van de openbare orde en/of het woon- en leefklimaat, de sluiting bevelen van een voor publiek toegankelijk gebouw, inrichting of ruimte als daar:

    1. zich binnen de inrichting gedragingen hebben voorgedaan zoals omschreven in artikel 36 van de Wet op de kansspelen;

    2. door misdrijf verkregen zaken voorhanden, bewaard of verborgen zijn dan wel zijn verworven of overgedragen;

    3. discriminatie heeft plaatsgevonden op grond van ras, geslacht, seksuele gerichtheid of op welke grond dan ook;

    4. wapens als bedoeld in artikel 2 van de Wet wapens en munitie aanwezig zijn waarvoor geen ontheffing, vergunning of verlof is verleend;

    5. zich andere feiten of omstandigheden hebben voorgedaan die de vrees wettigen dat het geopend blijven van het gebouw, de inrichting of de ruimte ernstig gevaar oplevert voor de openbare orde en/of het woon- en leefklimaat.

  2. Het in het eerste lid bepaalde is niet van toepassing voor situaties waarin wordt voorzien door artikel 13b van de Opiumwet.

  3. De burgemeester trekt het sluitingsbevel in als naar zijn oordeel de in het eerste lid genoemde belangen voortzetting van de sluiting niet langer vereisen.

  4. De burgemeester draagt zorg voor het aanbrengen van een afschrift van het sluitingsbevel bij de toegang van het gebouw, de inrichting of de ruimte, of in de directe nabijheid daarvan.

  5. De rechthebbende laat toe dat een afschrift van het sluitingsbevel wordt aangebracht.

  6. Het is verboden een gebouw, inrichting of ruimte te betreden waarvan de sluiting is bevolen.

  7. Het is de rechthebbende verboden zonder toestemming van de burgemeester bezoekers toe te laten of zelf het gebouw, de inrichting of de ruimte te betreden waarvan de sluiting is bevolen.