1. Hij die een recht van beplanting op een weg heeft is verplicht:

    1. van zijn voornemen tot het planten, vellen of rooien van beplanting op de weg ten minste dertig dagen van tevoren schriftelijk kennis te geven aan het college;

    2. zich bij dat planten, vellen of rooien te gedragen overeenkomstig de voorschriften, die hem door het college gegeven zijn in het belang van de veiligheid van het wegverkeer;

    3. gevolg te geven aan de schriftelijke lastgeving van het college binnen de bij die last te bepalen termijn de bomen, struiken, takken of wortels, die voor het gebruik van de weg gevaarlijk zijn, te verwijderen;

    4. bomen of struiken die dood, omgewaaid of afgebroken zijn, onverwijld te verwijderen.

  2. Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een weg waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de provinciale omgevingsverordening.