1. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:6 kan het bevoegd gezag de vergunning intrekken indien:

    1. er sprake is van het geval en onder de voorwaarden, bedoeld in artikel 3 van de Wet Bibob;

    2. de exploitant of leidinggevende in enig opzicht van slecht levensgedrag is.

  2. Voordat toepassing wordt gegeven aan het eerste lid, kan het Bureau Bibob door het openbaar bestuur, om een advies als bedoeld in artikel 9 van de Wet Bibob worden gevraagd.