1. Het is verboden zonder vergunning van het college de weg of een weggedeelte anders te gebruiken dan overeenkomstig de publieke functie daarvan.

  2. Een vergunning bedoeld in het eerste lid kan worden geweigerd:

    1. indien het beoogde gebruik schade toebrengt aan de weg, de bruikbaarheid of het veilig gebruik van de weg belemmert of kan belemmeren, dan wel een belemmering vormt of kan vormen voor het doelmatig beheer en onderhoud van de weg;

    2. indien het beoogde gebruik hetzij op zichzelf, hetzij in verband met de omgeving niet voldoet aan redelijke eisen van welstand;

    3. in het belang van de voorkoming of beperking van overlast voor gebruikers van de in de nabijheid gelegen onroerende zaak.

  3. Het verbod in het eerste lid geldt niet voor

    1. evenementen als bedoeld in artikel 2:24;

    2. terrassen als bedoeld in artikel 2:27;

    3. standplaatsen als bedoeld in artikel 5:17;

    4. voorwerpen of stoffen waarop gedachten of gevoelens worden geopenbaard.

    5. door het college aan te wijzen categorieën van voorwerpen, mits wordt voldaan aan de door hen te bepalen voorschriften.

    6. beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een weg of waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet, provinciale omgevingsverordening of waterschapsverordening.

  4. De weigeringsgrond, bedoeld in het tweede lid, onder a, is niet van toepassing als in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994.

  5. De weigeringsgrond, bedoeld in het tweede lid, onder b, is niet van toepassing op bouwwerken.

  6. De weigeringsgrond, bedoeld in het tweede lid, onder c, is niet van toepassing als in de voorkoming van overlast wordt voorzien door de Wet milieubeheer