Ambtsinstructie voor de politie, de Koninklijke marechaussee en andere opsporingsambtenaren Laatste controle 30-03-2026, laatste wijziging 28-03-2026.

Inhoud
Hoofdstuk 1 Algemeen
Hoofdstuk 2 Geweld
Hoofdstuk 3 Veiligheids- en vervoersfouillering
Hoofdstuk 4 Vrijheidsbeperkende middelen en hulpmiddelen
§ 1 Handboeien en mondafscherming ten behoeve van het vervoer of een verplaatsing
§ 2 Hulpmiddelen ten behoeve van de uitzetting van vreemdelingen
§ 3 Het gebruik van handboeien en blinddoeken ten behoeve van het ordelijk verloop van een aanhouding
Hoofdstuk 5 Hulpverlening
Hoofdstuk 6 Maatregelen jegens ingeslotenen
§ 1 Algemeen
§ 2 In bewaring nemen van kleding en voorwerpen
§ 3 Permanente camera-observatie
§ 4 Medische bijstand
§ 5 Hulpmiddelen jegens ingeslotenen
§ 6 Invrijheidstelling
Hoofdstuk 6a Ambtenaar van een bijzondere opsporingsdienst
Hoofdstuk 7 Buitengewoon opsporingsambtenaar
Hoofdstuk 8 Slotbepalingen

§ 1

Algemeen

Artikel 26

  1. De korpschef treft voorzieningen opdat de ingeslotene in ieder geval beschikt over:

    1. slaapgelegenheid,

    2. eten en drinken in overeenstemming met medische en levensbeschouwelijke of godsdienstige eisen,

    3. sanitair,

    4. de noodzakelijke medische zorg en

    5. informatie over de gang van zaken in het politiecellencomplex.

  2. Tenzij het politiecellencomplex geen luchtplaats heeft, draagt de korpschef er zorg voor dat de ingeslotene tweemaal daags wordt gelucht.

  3. In verband met het eerste lid, onder d, treft de korpschef een regeling met artsen ten einde van hulp verzekerd te zijn voor de medische zorg van ingeslotenen.

  4. Met inachtneming van het bij of krachtens de wet bepaalde treft de korpschef een regeling met betrekking tot het roken, de ontspanning, het telefoneren en het ontvangen van bezoek van de ingeslotene.

  5. Bij ministeriële regeling worden regels gesteld over de inrichting van een politiecellencomplex.

  6. Bij ministeriële regeling worden de gegevens over ingeslotenen aangewezen die door de ambtenaar worden geregistreerd.

  7. In geval van overlijden of poging tot zelfdoding van een ingeslotene draagt de korpschef er zorg voor dat het openbaar ministerie hiervan onverwijld in kennis wordt gesteld.

  8. De ambtenaar handelt jegens de ingeslotene overeenkomstig het bepaalde bij of krachtens dit artikel.

Artikel 27

  1. Voor zover het bij of krachtens het Wetboek van Strafvordering bepaalde zich hiertegen niet verzet stelt de ambtenaar een familielid of een huisgenoot van een ingeslotene zo spoedig mogelijk op de hoogte van de insluiting. In het geval de ingeslotene minderjarig is, doet hij dit uit eigen beweging, indien de ingeslotene meerderjarig is, doet hij dit slechts op verzoek van de ingeslotene.

  2. Indien de omstandigheden de uitvoering van het eerste lid niet toelaten bij een ingeslotene die geen ingezetene is, wordt de ambassade of het consulaat van het land waarin de ingeslotene ingezetene is, op de hoogte gesteld van de insluiting.

← terug naar Ambtsinstructie voor de politie, de Koninklijke marechaussee en andere opsporingsambtenaren