Ambtsinstructie voor de politie, de Koninklijke marechaussee en andere opsporingsambtenaren

Inhoud
Hoofdstuk 1 Algemeen
Hoofdstuk 2 Geweld
Hoofdstuk 3 Veiligheids- en vervoersfouillering
Hoofdstuk 4 Vrijheidsbeperkende middelen en hulpmiddelen
§ 1 Handboeien en mondafscherming ten behoeve van het vervoer of een verplaatsing
§ 2 Hulpmiddelen ten behoeve van de uitzetting van vreemdelingen
§ 3 Het gebruik van handboeien en blinddoeken ten behoeve van het ordelijk verloop van een aanhouding
Hoofdstuk 5 Hulpverlening
Hoofdstuk 6 Maatregelen jegens ingeslotenen
§ 1 Algemeen
§ 2 In bewaring nemen van kleding en voorwerpen
§ 3 Permanente camera-observatie
§ 4 Medische bijstand
§ 5 Hulpmiddelen jegens ingeslotenen
§ 6 Invrijheidstelling
Hoofdstuk 6a Ambtenaar van een bijzondere opsporingsdienst
Hoofdstuk 7 Buitengewoon opsporingsambtenaar
Hoofdstuk 8 Slotbepalingen

Artikel 36a

HISTORISCH
  1. Op de ambtenaar van een bijzondere opsporingsdienst zijn de artikelen 1, derde tot en met zesde lid, 2, 4, 5, 7, eerste lid, aanhef en onder a, b, e en f, tweede en derde lid, 10, 10a, 12a, 12b, 12e, 12f, 17, eerste tot en met derde lid, vierde lid, onder b, en vijfde lid, 18, eerste lid, aanhef en onder b, tweede lid, 18a, 19 tot en met 22a en 23 van dit besluit van toepassing.

  2. Voor de toepassing van:

    1. artikel 1, derde lid, wordt voor «meerdere» gelezen: de ambtenaar van een bijzondere opsporingsdienst die uit hoofde van zijn functie met de leiding is belast of het bevel heeft over de taakuitvoering;

    2. artikel 1, vierde lid, onder a, wordt voor «bevoegd gezag» gelezen: de officier van justitie;

    3. artikel 1, vierde lid, onder d, wordt voor «geweldmiddel» gelezen: de wapens en de uitrusting waarmee geweld kan worden uitgeoefend, ten aanzien waarvan krachtens artikel 3a, derde lid, van de Wet wapens en munitie is bepaald dat de in dat lid genoemde artikelen niet van toepassing zijn op ambtenaren van bijzondere opsporingsdiensten;

    4. de artikelen 17, vierde lid, onder b, en 18, eerste lid, aanhef en onder b, wordt voor «de korpschef» telkens gelezen «het hoofd van de bijzondere opsporingsdienst» en voor «een andere ambtenaar van politie als bedoeld in artikel 2, onder a of c, van de Politiewet 2012, die is aangesteld voor de uitvoering van de politietaak» telkens gelezen: de ambtenaar van een bijzondere opsporingsdienst;

    5. artikel 18, tweede lid, aanhef en onder b, wordt voor «de korpschef» gelezen: het hoofd van de bijzondere opsporingsdienst;

    6. artikel 18a, tweede lid, wordt voor «artikel 7, eerste en zevende lid, van de Politiewet 2012» gelezen: artikel 6, eerste, tweede en vierde lid, van de Wet op de bijzondere opsporingsdiensten;

    7. artikel 20 wordt voor «artikel 7, derde en vierde lid, van de Politiewet 2012» gelezen: artikel 6, derde lid, van de Wet op de bijzondere opsporingsdiensten;

    8. artikel 21 wordt voor «onderzoek aan kleding of voorwerpen» gelezen «onderzoek aan kleding» en wordt voor «artikel 7, derde lid, van de Politiewet 2012» gelezen: artikel 6, derde lid, van de Wet op de bijzondere opsporingsdiensten.

01-01-2026 Huidig 01-01-2024 Historisch 01-01-2023 Historisch 01-07-2022 Historisch 01-10-2021 Historisch 01-07-2020 Historisch 01-01-2020 Historisch
Voor dit artikel is er geen zichtbare wijziging ten opzichte van 01-07-2022.

Tekst van deze versie

  1. Op de ambtenaar van een bijzondere opsporingsdienst zijn de artikelen 1, derde tot en met zesde lid, 2, 4, 5, 7, eerste lid, aanhef en onder a, b, e en f, tweede en derde lid, 10, 10a, 12a, 12b, 12e, 12f, 17, eerste tot en met derde lid, vierde lid, onder b, en vijfde lid, 18, eerste lid, aanhef en onder b, tweede lid, 18a, 19 tot en met 22a en 23 van dit besluit van toepassing.

  2. Voor de toepassing van:

    1. artikel 1, derde lid, wordt voor «meerdere» gelezen: de ambtenaar van een bijzondere opsporingsdienst die uit hoofde van zijn functie met de leiding is belast of het bevel heeft over de taakuitvoering;

    2. artikel 1, vierde lid, onder a, wordt voor «bevoegd gezag» gelezen: de officier van justitie;

    3. artikel 1, vierde lid, onder d, wordt voor «geweldmiddel» gelezen: de wapens en de uitrusting waarmee geweld kan worden uitgeoefend, ten aanzien waarvan krachtens artikel 3a, derde lid, van de Wet wapens en munitie is bepaald dat de in dat lid genoemde artikelen niet van toepassing zijn op ambtenaren van bijzondere opsporingsdiensten;

    4. de artikelen 17, vierde lid, onder b, en 18, eerste lid, aanhef en onder b, wordt voor «de korpschef» telkens gelezen «het hoofd van de bijzondere opsporingsdienst» en voor «een andere ambtenaar van politie als bedoeld in artikel 2, onder a of c, van de Politiewet 2012, die is aangesteld voor de uitvoering van de politietaak» telkens gelezen: de ambtenaar van een bijzondere opsporingsdienst;

    5. artikel 18, tweede lid, aanhef en onder b, wordt voor «de korpschef» gelezen: het hoofd van de bijzondere opsporingsdienst;

    6. artikel 18a, tweede lid, wordt voor «artikel 7, eerste en zevende lid, van de Politiewet 2012» gelezen: artikel 6, eerste, tweede en vierde lid, van de Wet op de bijzondere opsporingsdiensten;

    7. artikel 20 wordt voor «artikel 7, derde en vierde lid, van de Politiewet 2012» gelezen: artikel 6, derde lid, van de Wet op de bijzondere opsporingsdiensten;

    8. artikel 21 wordt voor «onderzoek aan kleding of voorwerpen» gelezen «onderzoek aan kleding» en wordt voor «artikel 7, derde lid, van de Politiewet 2012» gelezen: artikel 6, derde lid, van de Wet op de bijzondere opsporingsdiensten.

Nog geen automatische verwijzingen.

Deze actie vereist een account
Log in of maak een account om arceringen, annotaties, tags en dossiers te gebruiken.
← terug naar Ambtsinstructie voor de politie, de Koninklijke marechaussee en andere opsporingsambtenaren