1. De (hulp)officier van justitie en/of opsporingsambtenaar zijn bevoegd tot de inzet van (bijzondere) opsporingsbevoegdheden, genoemd in de titels IVa tot en met Vc Sv, en vierde boek, titel X Sv (innovatiewet), alsmede vorderingsbevoegdheden in bijzondere wetten. Afhankelijk van de in te zetten (bijzondere) opsporingsbevoegdheid is een voorafgaande machtiging van de rechter-commissaris vereist. De inzet van deze bevoegdheden zal (behoudens in zeer uitzonderlijke omstandigheden) niet zijn gericht op het verkrijgen van verschoningsgerechtigd materiaal.

  2. Bestaat het redelijk vermoeden dat door de aanwending van de bevoegdheid verschoningsgerechtigd materiaal zal worden verkregen, dan wordt de inzet van de bevoegdheid vormgegeven op een wijze waarmee dat zo veel mogelijk wordt voorkomen. Is dat redelijkerwijs niet mogelijk, dan komt het verkregen (mogelijk) verschoningsgerechtigd materiaal niet ter beschikking van het onderzoektsteam. Ten aanzien van het verkregen materiaal wordt gehandeld conform de regels beschreven in 4.6 tot en met 4.12 van deze aanwijzing.

  3. Wordt een vordering aan de rechter-commissaris gedaan tot het verstrekken van een voor de bevoegdheid vereiste machtiging, en bestaat een redelijk vermoeden dat bij de inzet van de opsporingsbevoegdheid verschoningsgerechtigd materiaal zal worden verkregen, welk materiaal niet buiten de inzet van de opsporingsbevoegdheid kan worden gelaten, dan wordt daarvan in die vordering melding gemaakt. Daarmee wordt de rechter-commissaris in staat gesteld dat te betrekken bij zijn beslissing over de gevorderde machtiging.

  4. Indien pas na verstrekking of vastlegging van het materiaal een redelijk vermoeden ontstaat dat zich daartussen (mogelijk) verschoningsgerechtigd materiaal bevindt, wordt gehandeld conform de regels beschreven in 4.5 tot en met 4.12 van deze aanwijzing.

  5. Komt de rechter-commissaris na de selectie tot het oordeel dat sprake is van stukken of gegevens waarvan na een inhoudelijke beoordeling is gebleken dat deze niet onder de bescherming van het verschoningsrecht vallen dan worden deze bij de processtukken gevoegd voor zover de officier van justitie van oordeel is dat deze stukken of gegevens voor het onderzoek van de zaak van betekenis zijn, zonder dat daarvoor nog een afzonderlijke machtiging (ex artikel 126aa lid 2 Sv) van de rechter-commissaris is vereist.