Aanwijzing opsporingsbevoegdheden Laatste controle 16-04-2026, laatste wijziging 01-04-2026 (Bron: wetten.overheid.nl).

Inhoud
Hoofdstuk 1 Algemeen
1.1 Wet bijzondere opsporingsbevoegdheden
Hoofdstuk 2 Bijzondere opsporingsbevoegdheden
2.1 Betreden besloten plaatsen
2.2 Observatie
2.3 Vorderen van gegevens (tele)communicatie
2.4 Opnemen van (tele)communicatie
2.5 Opnemen van vertrouwelijke communicatie
2.6 Stelselmatige informatie-inwinning door een opsporingsambtenaar
2.7 Stelselmatige informatie-inwinning door een burger
2.8 (Burger)pseudokoop en -dienstverlening
2.9 Politiële- en burgerinfiltratie
2.10 Vorderen van gegevens
Hoofdstuk 3 Bijzondere gevallen
3.1 Inzet bijzondere opsporingsbevoegdheden in geval van voortvluchtigen
3.2 Inzet bijzondere opsporingsbevoegdheden in geval van terroristische misdrijven
3.3 Verkennend onderzoek
Hoofdstuk 4 Uitvoering
4.1 Uitgestelde inbeslagneming en het verbod op doorlaten
4.2 Afscherming
4.3 Internationale samenwerking
Hoofdstuk 5 Procedurele voorschriften
5.1 Centrale toetsingscommissie
5.2 Schriftelijke verantwoording
5.3 Gegevensbeheer
5.4 Notificatie

Hoofdstuk 5

Procedurele voorschriften

Artikel 5.1

Centrale toetsingscommissie

De CTC, samengesteld uit leden van het openbaar ministerie en politie, is een intern adviesorgaan van het openbaar ministerie, dat het College adviseert omtrent de voorgenomen inzet van bepaalde bijzondere opsporingsbevoegdheden en methodieken.

De officier van justitie is verplicht om bij de navolgende opsporingsbevoegdheden, na advies van de CTC, toestemming te vragen van het College:

  1. politiële infiltratie, (artt. 126h en 126p Sv);

  2. burgerinfiltratie (artt. 126w en 126x Sv);

  3. burgerpseudo-koop en burgerpseudo-dienstverlening (artt. 126ij en 126z Sv) in het kader van de uitvoering van een rechtshulpverzoek, waarbij sprake is van de inzet van een burger met een strafrechtelijke achtergrond;

  4. alle gevallen van afzien van inbeslagneming van bij de wet verboden voor de volksgezondheid schadelijke en/of voor de veiligheid gevaarlijke voorwerpen, (art. 126ff lid 2 Sv);

  5. alle gevallen van het "doorlaten van personen" in het kader van mensensmokkel (Brief van 12-04-1999 van de Minister van Justitie aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal, Kamerstukken II, 1998/1999, 25 403, nr. 35);

  6. het opnemen van vertrouwelijke communicatie met een technisch hulpmiddel in een woning of een daaraan gelijk te stellen ruimte (artt. 126l en 126s Sv);

  7. toezeggingen aan getuigen in strafzaken (art. 44a Sr en artt. 226g t/m 226l Sv en Aanwijzing toezeggingen aan getuigen in strafzaken, Stcrt. 2006, nr. 56);

  8. het opheffen van de anonimiteit van bellers naar Meld Misdaad Anoniem (M-lijn) door middel van het vorderen van inlichtingen bij telecommunicatieaanbieders dan wel het gebruik van reeds verkregen inlichtingen (artt. 126n, 126u, 126nc en 126nd Sv en Instructie Meld Misdaad Anoniem);

  9. DNA-bevolkingsonderzoek (artt. 151a en 195a Sv);

  10. inkomende en uitgaande rechtshulpverzoeken waarin de uitvoering van een van bovengenoemde opsporingsactiviteiten wordt verzocht.

Buiten deze gevallen kan een officier van justitie ook vrijblijvend advies inwinnen van de CTC, waarbij de zaak in beginsel niet wordt voorgelegd aan het College.

Procedure

Aanmelding van de zaak bij de CTC

  1. De verantwoordelijke hoofdofficier van justitie die een zaak ter goedkeuring voorlegt aan het College, zendt daartoe de stukken aan de CTC. Bij twijfel of een zaak ter goedkeuring aan het College moet worden voorgelegd, kan de hoofdofficier vooraf het secretariaat van de CTC consulteren of de zaak als collegiale toetsing aan de CTC voorleggen.

  2. De stukken die aan de CTC worden gezonden, bestaan uit een aanbiedingsbrief van de hoofdofficier, een proces-verbaal van de politie tot aanvraag van de betreffende bevoegdheid en een oplegnotitie van de behandelend officier van justitie waarin de aanvraag kort en bondig wordt weergegeven. Daarnaast zullen de volgende documenten moeten worden meegezonden:

  3. in geval van infiltratie: een plan van aanpak infiltratie;\

  4. in geval van een toezegging aan een getuige: de conceptovereenkomst, de zogenaamde ‘kluisverklaringen’ en een advies van de landsadvocaat;

  5. in geval van het opnemen van vertrouwelijke communicatie: een rapportage van de DSRT van het KLPD waarin een indicatie wordt gegeven over de technische en tactische uitvoerbaarheid en haalbaarheid van de voorgenomen inzet van de bevoegdheid.

  6. Naar aanleiding van de stukken en de mondelinge toelichting ter vergadering van de CTC zal een advies worden opgesteld dat door tussenkomst van de PG-portefeuillehouder, wordt voorgelegd aan het College.

  7. In beginsel zijn de adviezen van de CTC en de stukken die aan de CTC ter hand zijn gesteld geen processtukken. Deze stukken behoeven dan ook niet bij het strafdossier te worden gevoegd. Volgens vaste rechtspraak gaat het hier namelijk om interne stukken die voor de beoordeling van de inzet van de bevoegdheid door de rechtbank niet van belang zijn.

Besluitvorming door het College

Nadat het College het advies van de CTC heeft ontvangen, zal het College tot een oordeel komen. Het College zal de aanvragende hoofdofficier zo spoedig mogelijk schriftelijk in kennis stellen van haar beslissing, met de eventueel daarbij gestelde voorwaarden.

Vervolgtoetsing en afloop

De behandelend officier van justitie bewaakt de voortgang, de termijnen en de voorwaarden conform de besluitvorming door het College.

Een door het College gestelde termijn behoeft niet gelijk te zijn aan de wettelijke termijn van het bevel van de officier van justitie van ten hoogste vier weken. Indien toestemming is gegeven voor een termijn die de geldigheidsduur van het bevel overstijgt, kan het bevel met inachtneming van die termijn en na machtiging van de rechter-commissaris worden verlengd.

Indien door het College bij een verleende toestemming een termijn is gesteld en het wenselijk is dat de inzet van de bevoegdheid wordt voortgezet, wordt het verloop van de zaak door de betrokken hoofdofficier van justitie tijdig voor afloop van de termijn opnieuw ter toetsing aan de CTC voorgelegd. De hoofdofficier van justitie zal hiertoe de stukken (bestaande uit een aanbiedingsbrief en een voortgangsrapportage) aan de CTC moeten zenden. De CTC zal vervolgens haar advies, door tussenkomst van de PG-portefeuillehouder, voorleggen aan het College.

In alle gevallen waarin door het College toestemming is verleend, wordt door de betrokken hoofdofficier van justitie, (uiterlijk) na afloop van de zaak in eerste aanleg, de CTC geïnformeerd over het resultaat van de toegepaste opsporingsmethode(n).

Spoedprocedure

Ook in geval van dringende noodzakelijkheid zal de verantwoordelijke hoofdofficier van justitie de zaak ter goedkeuring moeten voorleggen aan het College. De hoofdofficier van justitie zal zich daartoe direct tot het secretariaat van de CTC moeten wenden, onder opgave van redenen waarom met spoed een beslissing is gewenst is.

De CTC toetst de zaak zo spoedig mogelijk en legt haar (mondeling) advies voor aan (een lid van) het College. In het advies motiveert de CTC het spoedeisend karakter van de beslissing en geeft aan binnen welke termijn een beslissing gewenst is. Hierop kan het College een (mondelinge) beslissing nemen.

Artikel 5.2

Schriftelijke verantwoording

Algemeen

De in art. 126aa Sv opgenomen verplichting – om de processen-verbaal en andere voorwerpen waaraan gegevens kunnen worden ontleend die zijn verkregen door toepassing van de in de titels IVa tot en met IVc opgenomen bijzondere opsporingsbevoegdheden bij de processtukken te voegen – geldt alleen voor de processen-verbaal en andere voorwerpen die gegevens bevatten die voor het onderzoek in de zaak van betekenis zijn. Gegevens zijn voor het onderzoek in de zaak van betekenis indien de gegevens relevant zijn voor de beantwoording van de vragen ex artt. 348–350 Sv. Dit betekent dat ook processen-verbaal die ontlastend materiaal opleveren voor de verdachte bij de processtukken moeten worden gevoegd.

De officier van justitie zal het strafdossier op een dusdanige wijze moeten samenstellen dat de rechtbank en de verdediging in staat zijn om het totale verloop van het onderzoek naar behoren te kunnen controleren. Daarnaast zal de rechtbank de rechtmatigheid van de bewijsverkrijging moeten kunnen beoordelen en of de beginselen van behoorlijke procesorde in acht zijn genomen bij de uitvoering van de opsporingshandelingen. Ook zal de rechtbank zich een oordeel moeten kunnen vormen omtrent de kwaliteit van het bewijs. Verder moet informatie die essentieel is geweest voor de start en de richting van het onderzoek (met het oog op de verantwoording van dat onderzoek) voldoende duidelijk in de processtukken zijn gerelateerd.

Wat betreft de wijze van verantwoording van de toepassing van bijzondere opsporingsbevoegdheden in het strafdossier gelden de voorschriften van art. 126aa leden 1 en 4 Sv.

Op grond van het vierde lid van art 126aa Sv geldt dat de toepassing van een bijzondere opsporingsbevoegdheid – ongeacht het resultaat van de toepassing van de bevoegdheid – gemeld dient te worden in een proces-verbaal dat deel uitmaakt van het strafdossier.

Heeft de toepassing een voor het bewijs relevant resultaat opgeleverd (in belastende of onbelastende zin) of overigens een voor enige door de rechter te nemen beslissing relevant resultaat opgeleverd dan wordt een proces-verbaal waarin de resultaten van de toepassing zijn uitgewerkt aan het strafdossier toegevoegd.

De officier van justitie mag bij het samenstellen van het strafdossier rekening houden met bijzondere belangen, zoals de bescherming van de veiligheid van mensen en de afscherming van methodieken en middelen. Deze belangen kunnen een minder gedetailleerde verantwoording rechtvaardigen. Dit mag er echter niet toe leiden dat de rechtbank aan de hand van het samengestelde strafdossier niet meer kan beoordelen of de opsporing overeenkomstig de relevante rechtsregels heeft plaatsgevonden.

Artikel 5.3

Gegevensbeheer

Bewaren van gegevens

In art. 126cc lid 1 Sv is bepaald dat de officier van justitie verplicht is om de processen-verbaal en andere voorwerpen waaraan gegevens kunnen worden ontleend die zijn verkregen door

  1. observatie met behulp van een technisch hulpmiddel dat signalen registreert,

  2. het opnemen van vertrouwelijke communicatie en

  3. het onderzoek van telecommunicatie,

voor zover die niet bij de processtukken zijn gevoegd, te bewaren en ter beschikking te houden voor onderzoek, zolang de zaak niet geëindigd is. In het Besluit bewaren en vernietigen niet-gevoegde stukken (Stb. 1999, 548) zijn voorschriften opgenomen omtrent de wijze waarop de voornoemde processen-verbaal en andere voorwerpen moeten worden geregistreerd, bewaard en vernietigd. Deze voorschriften gelden niet alleen voor de originelen, maar ook voor de kopieën.

Vernietigen van gegevens

Op grond van art. 126cc lid 2 Sv zal de officier van justitie schriftelijk de vernietiging moeten bevelen van de processen-verbaal en andere voorwerpen nadat de zaak twee maanden is geëindigd en aan alle notificatieverplichtingen ex art. 126bb Sv is voldaan.

Een zaak is in elk geval geëindigd indien er een onherroepelijke uitspraak is gedaan door een rechter. Voorts geldt een zaak als geëindigd indien zij onvoorwaardelijk is geseponeerd en tegen deze beslissing geen beklag ex art. 12 Sv meer openstaat. Daarnaast geldt een zaak ook als geëindigd indien een voorbereidend onderzoek naar redelijke verwachting niet tot een zaak zal leiden (art. 126cc lid 3 Sv). Indien na de vervolging in de hoofdzaak een ontnemingsprocedure wordt opgestart, zal de vernietingstermijn van art. 126cc lid 2 Sv pas ingaan nadat de ontnemingszaak is geëindigd.

De opsporingsambtenaar zal een proces-verbaal moeten opmaken van de vernietiging van de processen-verbaal en andere voorwerpen en dit proces-verbaal moeten toezenden aan de officier van justitie die hiervan een registratie bijhoudt, zodat inzichtelijk is welke stukken, op basis van welk bevel, op welk tijdstip zijn vernietigd.

Verstrekken van gegevens ten behoeve van een ander strafrechtelijk onderzoek

De gegevens die zijn verkregen door de toepassing van de in art. 126cc lid 1 Sv omschreven opsporingsbevoegdheden kunnen ook worden bewaard en gebruikt in een ander strafrechtelijk onderzoek. Deze gegevens kunnen echter niet worden bewaard voor een – nog niet te concretiseren – toekomstig strafrechtelijk onderzoek, behoudens het geval dat de gegevens door de CIE worden verwerkt of in geval van de zogenaamde themaverwerking in de zin van art. 10 Wpg. Dan gelden de verwerkingstermijnen van de Wpg.

Indien de behandelend officier van justitie bepaalt dat de processen-verbaal en andere voorwerpen mogen worden gebruikt in een ander strafrechtelijk onderzoek dan blijven deze processen-verbaal en andere voorwerpen bewaard onder de verantwoordelijkheid van de officier van justitie die de leiding heeft over het ‘nieuwe’ strafrechtelijke onderzoek. Deze officier van justitie zal er dan ook voor moeten zorgen dat de gegevens worden vernietigd in het geval dit strafrechtelijke onderzoek is geëindigd. In dit geval geldt dan ook weer de termijn van art. 126cc lid 2 Sv.

Verwerken van gegevens door de CIE

Of de in processen-verbaal en andere voorwerpen opgenomen gegevens daadwerkelijk kunnen worden verwerkt door de CIE is een verantwoordelijkheid van de verantwoordelijke en het openbaar ministerie. Indien in de praktijk verschil van inzicht bestaat over het al dan niet verwerken van bepaalde gegevens komt aan beide partijen een vetorecht toe.

Indien de behandelend officier van justitie bepaalt dat de processen-verbaal en andere voorwerpen mogen worden verwerkt door de CIE dan worden deze processen-verbaal en andere voorwerpen verwerkt onder gezag van de CIE-officier van justitie. De verantwoordelijke moet de termijn bewaken waarop de Wpg opslag van artikel 10 lid 1 onder 1 en b-verwerkingen niet meer toelaat. De officier van justitie ziet hierop toe. In dat geval zal de CIE-officier van justitie zo spoedig mogelijk daarna de vernietiging moeten bevelen van de desbetreffende processen-verbaal en andere voorwerpen.

Artikel 5.4

Notificatie

Betekenis

Op grond van art. 126bb lid 1 Sv doet de officier van justitie aan een betrokkene tegen wie een in de titels IVa tot en met Vc genoemde bijzondere opsporingsbevoegdheid is toegepast schriftelijk mededeling van de uitoefening hiervan.

De schriftelijke mededeling aan een betrokkene wordt gedaan zodra ‘het belang van het onderzoek’ dat toelaat. Dit kan bijvoorbeeld betekenen dat de mededeling wordt uitgesteld indien te vrezen valt dat de voortgang van het opsporingsonderzoek zal worden belemmerd door de mededeling. Het ‘belang van het onderzoek’ kan ook zijn gelegen in een ander opsporingsonderzoek (bijvoorbeeld een buitenlands opsporingsonderzoek en/of een parallelonderzoek). Een andere reden om (vooralsnog) niet aan de mededelingsplicht te voldoen, is gelegen in het beschermen van de veiligheid van een betrokkene.

De mededelings- of notificatieplicht (hierna: notificatieplicht) kan op grond van de hiervoor genoemde redenen worden uitgesteld tot en met het onderzoek ter terechtzitting, in eerste aanleg of in hoger beroep. Na beëindiging van het hoger beroep zal alsnog genotificeerd moeten worden door de behandelend officier van justitie op wiens bevel de opsporingsbevoegdheid is toegepast.

De notificatieplicht kan in het geheel achterwege blijven indien:

  1. de verdachte op grond van de processen-verbaal en andere voorwerpen die bij de processtukken zijn gevoegd (art. 126aa lid 1 Sv) of door melding in de processtukken (art. 126aa lid 4 Sv) op de hoogte is gekomen van het feit dat jegens hem een bijzondere opsporingsbevoegdheid is toegepast;

  2. uitreiking van de mededeling redelijkerwijs niet mogelijk is omdat het adres van de betrokkene onbekend is of omdat de betrokkene bijvoorbeeld niet kan worden geïndividualiseerd, zoals een gebruiker van een pre-paid telefoon;

  3. de bevoegdheid tot het vorderen van identificerende gegevens (artt. 126nc/126uc en 126zk Sv) en/of de bevoegdheid tot het vorderen van gegevens over een gebruiker van een communicatiedienst (artt. 126na/126ua lid 3 en 126zi Sv) is toegepast.

In art. 126bb lid 2 Sv is bepaald wie als betrokkenen moeten worden aangemerkt. Dat zijn:

  1. de personen jegens wie een bijzondere opsporingsbevoegdheid als genoemd in de titels IVa tot en met Vc werd uitgeoefend. Deze personen kunnen verdachte zijn of personen (niet zijnde verdachten) die in het belang van het onderzoek stelselmatig zijn geobserveerd of van wie gegevens zijn opgevraagd;

  2. de gebruikers van een communicatiedienst als bedoeld in art. 126m, derde lid, onderdeel c Sv, art. 126t, derde lid, onderdeel c Sv en art. 126zg, tweede lid, onderdeel a Sv. Dit zijn de personen die feitelijk de beschikking hebben en gebruik maken van het communicatiemiddel. Dit behoeven uiteraard niet altijd de (abonnement)houders te zijn. Deze personen kunnen verdachte zijn of betrokkenen (niet zijnde verdachten) van wie telefoon in het belang van het onderzoek werd afgetapt;

  3. de rechthebbenden van een besloten plaats als bedoeld in de artt. 126g/126o lid 2 Sv (stelselmatige observatie), 126k/126r Sv (betreden van besloten plaatsen), 126l/126s lid 2 Sv (opnemen van vertrouwelijke informatie) en 126zd, derde lid Sv. Dit kunnen zowel de eigenaren zijn als de feitelijk (hoofd)gebruikers van een besloten plaats.

De notificatieplicht is ook van toepassing indien bijzondere opsporingsbevoegdheden worden toegepast naar aanleiding van een buitenlands rechtshulpverzoek. Aan de autoriteit die het rechtshulpverzoek heeft gedaan, wordt verzocht om tot notificatie over te gaan zodra het buitenlandse opsporingsonderzoek dat toelaat. Op basis van het vertrouwensbeginsel kan hiermee worden volstaan en hoeft geen notificatie door het Nederlandse OM meer plaats te vinden.

Procedure

Nadat de toepassing van een bijzondere opsporingsbevoegdheid is beëindigd, zal er een notificatieblad opgesteld moeten worden waarin de NAW-gegevens van de te notificeren persoon, de zaakgegevens, het parketnummer en/of het tijdelijke registernummer worden geregistreerd.

Bij beëindiging van het onderzoek komt de officier van justitie per toegepaste opsporingsbevoegdheid tot het oordeel dat:

  1. de notificatie achterwege blijft, omdat

    1. de betrokkene al via het dossier is ingelicht, of

    2. de NAW-gegevens van de betrokkene niet bekend zijn, of

    3. er veiligheidsrisico’s zijn verbonden met het notificeren.

  2. de notificatie uitgesteld dient te worden, omdat

    1. er sprake is van onderzoeksbelang (toe te lichten op het notificatieblad), en/of

    2. er veiligheidsrisico’s (eveneens toe te lichten op het notificatieblad) zijn verbonden aan het notificeren.

  3. overgegaan kan worden tot notificeren, indien

    1. een zaak is afgedaan (sepot, transactie of zitting), en/of

    2. er is geen sprake van een reële kans op waarheidsvinding meer in het onderzoek, en/of

    3. er sprake is van een reële kans op waarheidsvinding, maar het notificeren heeft geen invloed op deze kans.

Onder het zojuist genoemde onderzoeksbelang wordt tevens begrepen het belang van het onderzoek in andere zaken waarin nog niet gedagvaard is.

Indien door de behandelend officier van justitie wordt besloten dat tot notificatie kan worden overgegaan, dan zullen de gegevens verwerkt moeten worden in een standaard notificatiebrief.

In het geval de behandelend officier van justitie beslist dat de notificatie uitgesteld dient te worden, dan zal hij een termijn voor de herbeoordeling van de notificatie moeten vaststellen. Indien er sprake is van een verdenking van een strafbaar feit dat wordt bedreigd met een gevangenisstraf van 8 jaar of meer, dan zal een termijn van 6 maanden worden vastgesteld. In het geval er sprake is van een verdenking van een strafbaar feit dat wordt bedreigd met een maximale gevangenisstraf van minder dan 8 jaar, dan zal een termijn van 3 maanden worden vastgesteld. De behandelend officier van justitie zal op het notificatieblad moeten aangeven waarom hij heeft besloten om de beslissing tot notificatie uit te stellen.

Nadat de termijn van 3 of 6 maanden is verstreken, zal het notificatieblad opnieuw voor een verdere beoordeling en afhandeling worden voorgelegd aan de behandelend officier van justitie. Indien de behandelend officier van justitie nogmaals besluit om niet tot notificatie over te gaan, zal de procedure herhaald moeten worden.

De voorgaande procedure herhaalt zich totdat er daadwerkelijk kan worden genotificeerd. Echter, in het geval er vijf jaar zijn verstreken na de eerste beoordeling door de behandelend officier van justitie kan de notificatie achterwege blijven indien nog steeds kan worden geoordeeld dat er sprake is van onderzoeksbelang en/of veiligheidsrisico’s.

← terug naar Aanwijzing opsporingsbevoegdheden