Aanwijzing opsporingsbevoegdheden Laatste controle 16-04-2026, laatste wijziging 01-04-2026 (Bron: wetten.overheid.nl).

Inhoud
Hoofdstuk 1 Algemeen
1.1 Wet bijzondere opsporingsbevoegdheden
Hoofdstuk 2 Bijzondere opsporingsbevoegdheden
2.1 Betreden besloten plaatsen
2.2 Observatie
2.3 Vorderen van gegevens (tele)communicatie
2.4 Opnemen van (tele)communicatie
2.5 Opnemen van vertrouwelijke communicatie
2.6 Stelselmatige informatie-inwinning door een opsporingsambtenaar
2.7 Stelselmatige informatie-inwinning door een burger
2.8 (Burger)pseudokoop en -dienstverlening
2.9 Politiële- en burgerinfiltratie
2.10 Vorderen van gegevens
Hoofdstuk 3 Bijzondere gevallen
3.1 Inzet bijzondere opsporingsbevoegdheden in geval van voortvluchtigen
3.2 Inzet bijzondere opsporingsbevoegdheden in geval van terroristische misdrijven
3.3 Verkennend onderzoek
Hoofdstuk 4 Uitvoering
4.1 Uitgestelde inbeslagneming en het verbod op doorlaten
4.2 Afscherming
4.3 Internationale samenwerking
Hoofdstuk 5 Procedurele voorschriften
5.1 Centrale toetsingscommissie
5.2 Schriftelijke verantwoording
5.3 Gegevensbeheer
5.4 Notificatie

Hoofdstuk 4

Uitvoering

Artikel 4.1

Uitgestelde inbeslagneming en het verbod op doorlaten

Verbod op het doorlaten van voorwerpen

Hoewel in art. 126ff lid 1 en 4 Sv de verplichting tot inbeslagneming is beperkt tot die situaties waarin sprake is van toepassing van de bijzondere opsporingsbevoegdheden genoemd in de titels IVa tot en met Va van het Wetboek van Strafvordering geldt (gelet op het stelsel van het Wetboek van Strafvordering) de verplichting tot onmiddellijke inbeslagneming, voor zover dit redelijkerwijs mogelijk is, ook voor alle andere situaties waarin opsporingsambtenaren de vindplaats weten van verboden schadelijke of gevaarlijke voorwerpen.

Er is sprake van ‘weten’ in de zin van art. 126ff Sv op het moment dat bij opsporingsambtenaren een voldoende mate van zekerheid bestaat over het verboden karakter van de voorwerpen en de vindplaats hiervan. Het zal in dit geval moeten gaan om aanwijzingen die redelijkerwijs geen ruimte voor twijfel laten dat de in art. 126ff Sv aangeduide voorwerpen op de betreffende plaats aanwezig zijn. Indien er slechts een redelijk vermoeden bestaat omtrent de aard en/of de vindplaats van de voorwerpen dan geldt er dus geen verplichting tot inbeslagneming.

Uitstel van inbeslagneming, feitelijk te beschouwen als gecontroleerde aflevering, mag alleen plaatsvinden indien op een later tijdstip alsnog wordt overgegaan tot inbeslagneming van de voorwerpen. De controle op die voorwerpen zal van dien aard moeten zijn dat politie en justitie alle maatregelen nemen die redelijkerwijs mogelijk zijn om de beoogde inbeslagneming te kunnen realiseren.

In de toelichting op het amendement waarmee art. 126ff is geïntroduceerd in het Wetboek van Strafvordering, is uitdrukkelijk aangegeven dat het verbod op doorlaten het Nederlandse softdrugsbeleid onverlet laat. Dit beleid is verwoord in de Aanwijzing Opiumwet (2000A019). Naar analogie van de uitgangspunten die in deze aanwijzing zijn opgenomen, kan als richtsnoer gelden dat de verplichting tot inbeslagneming van art. 126ff Sv niet geldt voor die situaties die op grond van de richtlijn worden gedoogd.

Verbod op het doorlaten van personen

Hoewel er in art. 126ff Sv uitsluitend wordt gesproken over voorwerpen, geldt in gevallen waarbij misdrijven worden gepleegd waarbij de menselijke waardigheid direct in het geding is een verbod op het doorlaten van personen in de zin van het laten voortduren van bedoelde misdrijven. Dit verbod is het resultaat van een door de Tweede Kamer aanvaarde motie (Kamerstukken II 1998/99, 25 403, nrs. 30 en 35). In deze motie sprak de Kamer uit dat ‘het doorlaten van personen in de zin van het laten voortduren van bedoelde misdrijven niet aanvaardbaar is, ook niet met het oog op zwaarwegende opsporingsbelangen’.

Voorbeelden van misdrijven waarbij de menselijke waardigheid direct in het geding is, zijn mensensmokkel, mensenhandel en wederrechtelijke vrijheidsberoving. Er kan sprake zijn van mensonwaardige situaties indien het vervoer van de personen mensonwaardig is (bijvoorbeeld doordat dit vervoer plaatsvindt in containers of laadbakken) dan wel wanneer de gesmokkelde personen in het land van bestemming kennelijk terechtkomen in een situatie waarin zij gedwongen worden in mensonwaardige omstandigheden te verkeren, zoals in geval van gedwongen prostitutie.

De Tweede Kamer is akkoord gegaan met een beperkte uitzonderingsmogelijkheid op het verbod op doorlaten van personen. In geval van mensensmokkel, dat wil zeggen situaties waarin mensen vrijwillig en vaak tegen betaling zich illegaal verblijf verschaffen, is het toegestaan om af te zien van de verplichting tot aanhouding van personen die illegaal in Nederland verblijven en hen die daarbij behulpzaam zijn (Kamerstukken II 1998/99, 25 403, nr. 35). In dat geval moet vooraf wel vaststaan dat:

  1. er daadwerkelijk sprake is van vrijwilligheid, en

  2. de personen daarbij niet in mensonwaardige situaties verkeren of komen te verkeren, en

  3. redelijkerwijs is te verwachten dat door niet in te grijpen belangrijke verdachten kunnen worden

  4. geïdentificeerd en aangehouden, en

  5. het onderzoek niet op andere wijze tot dit resultaat kan leiden.

Voornoemde uitzonderingsmogelijkheid is dus niet van toepassing in geval van mensenhandel. Bij mensenhandel gaat het namelijk om situaties waarin mensen tegen hun wil hun vrijheid is benomen, zoals in geval van gedwongen prostitutie. Bij verdenking van mensenhandel mogen dan ook nimmer mensen worden doorgelaten.

Procedure

Uitstel van inbeslagneming van voorwerpen (gecontroleerde aflevering)

Uitstel van inbeslagneming kan slechts plaatsvinden nadat de officier van justitie hiervoor toestemming heeft gegeven. Deze toestemming is vormvrij en kan dus ook mondeling worden gegeven. De officier van justitie zal zijn beslissing tot uitstel van inbeslagneming en de daaraan ten grondslag liggende overwegingen moeten doen vastleggen in een proces-verbaal.

Omdat uitstel van inbeslagneming van verboden schadelijke of gevaarlijke voorwerpen slechts mag plaatsvinden indien op een later tijdstip alsnog wordt overgegaan tot inbeslagneming zullen alle maatregelen moeten worden genomen die redelijkerwijs mogelijk zijn om de beoogde inbeslagneming uiteindelijk te kunnen realiseren.

Ook in het kader van het verlenen of ontvangen van rechtshulp aan buitenlandse opsporingsautoriteiten kan een uitstel van inbeslagneming/gecontroleerde aflevering plaatsvinden. Indien er sprake is van een inkomend verzoek tot rechtshulp kan de daartoe aangewezen officier van justitie van het Landelijk Parket toestemming geven voor een gecontroleerde aflevering in het buitenland, indien het verzoekende land voldoende garanties geeft voor de controle op en inbeslagneming van de voorwerpen, waarop het rechtshulpverzoek betrekking heeft. Voor de feitelijke uitvoering wordt verwezen naar de Aanwijzing rechtshulpverzoeken voor grensoverschrijdende observatie van 2 augustus 2010 (Stcrt. 2010, nr. 13157).

In geval de inbeslagneming op een later tijdstip onverhoopt niet kan en zal worden gerealiseerd, dan zal de hoofdofficier van justitie daarover ingelicht moeten worden die hierop het College hiervan in kennis stelt. In dit geval zal in een proces-verbaal wel moeten worden vastgelegd waarom de inbeslagneming niet kon worden gerealiseerd.

Afzien van inbeslagneming van voorwerpen (doorlaten)

In geval van hoge uitzondering kan de officier van justitie op grond van de artt. 140a Sv en 131 lid 5 RO slechts overgaan tot een bevel afzien van inbeslagneming nadat het College, na overleg met de Minister van Justitie, een voorafgaande schriftelijke toestemming heeft gegeven.

De officier van justitie kan pas een bevel tot het afzien van inbeslagneming afgeven nadat de volgende procedure is gevolgd:

  1. de behandelend officier van justitie licht de hoofdofficier van justitie in;

  2. de hoofdofficier van justitie legt de zaak via de CTC ter goedkeuring aan het College voor;

  3. het College legt zijn voorgenomen beslissing voor aan de Minister van Justitie (art. 140a Sv jo art. 131 RO);

  4. het College geeft vooraf (al dan niet) een schriftelijke toestemming voor het afzien van de inbeslagneming.

Indien het wachten op het resultaat van voornoemde procedure er toe zou leiden dat de verboden schadelijke of gevaarlijke voorwerpen niet meer in beslag kunnen worden genomen, dan zal tot inbeslagneming moeten worden overgegaan. De wet staat immers niet toe dat de beslissing tot afzien van inbeslagneming op een lager niveau wordt genomen dan dat van het College (na overleg met de Minister van Justitie). Afzien van inbeslagneming kan nimmer achteraf worden goedgekeurd.

Bij dringende noodzaak kan op grond van de wettekst geen mondelinge toestemming worden gegeven. De te volgen procedure kan echter wel mondeling plaatsvinden.

De officier van justitie zal in het schriftelijke bevel tot afzien van de inbeslagneming een beschrijving moeten geven van het zwaarwegende opsporingsbelang dat van toepassing is, de voorwerpen waar het bevel betrekking op heeft en het tijdstip waarop of de periode gedurende welke de verplichting tot inbeslagneming niet geldt.

Artikel 4.2

Afscherming

Algemeen

In het strafproces geldt als uitgangspunt dat volledige openheid van zaken wordt gegeven over de wijze waarop de opsporing is verlopen (interne openbaarheid). Dit uitgangspunt geldt onverkort ten aanzien van de toepassing van bijzondere opsporingsbevoegdheden. De verantwoording die hierover wordt afgelegd, zal veelal plaatsvinden door het voegen van processtukken in het strafdossier (zie art. 126aa Sv), maar ook door het horen van opsporingsambtenaren als getuige.

De inzet van bijzondere opsporingsbevoegdheden zal veelal plaatsvinden op een heimelijke wijze met toepassing van bepaalde (geavanceerde) opsporingstactieken -en technieken. Daarnaast kunnen ook burgers in dit kader medewerking verlenen aan de opsporing. Het voorgaande kan met zich meebrengen dat op grond van de in art. 187d lid 1 Sv genoemde belangen een uitzondering wordt gemaakt op het uitgangspunt van de interne openbaarheid. Bepaalde informatie kan worden afgeschermd indien:

  1. de getuige ernstig overlast zal ondervinden of zal worden belemmerd in de uitoefening van zijn ambt of beroep,

  2. een zwaarwegend opsporingsbelang wordt geschaad, of

  3. het belang van de staatveiligheid wordt geschaad.

Afscherming kan plaatsvinden door de informatie niet op te nemen in het strafdossier of door het niet beantwoorden van vragen door een getuige. Op grond van de artt. 187b en 187d Sv heeft de rechter-commissaris de mogelijkheid om bepaalde informatie af te schermen door te beletten dat door de getuige antwoord wordt gegeven op een aan hem gestelde vraag respectievelijk te beletten dat antwoorden op vragen betreffende een bepaald gegeven ter kennis komen van de officier van justitie, de verdachte en diens raadsman.

Behalve in situaties van getuigenverhoor zou art. 187d Sv ook van toepassing kunnen zijn op stukken of documenten en andere voorwerpen waaraan gegevens kunnen worden ontleend die zijn verkregen door toepassing van de bijzondere opsporingsbevoegdheden. De rechter-commissaris zou in dit kader onderzoek kunnen doen naar de wijze waarop het wel in het strafdossier aanwezige materiaal is verkregen. Dit onderzoek kan hij zodanig inrichten dat informatie waarvan de openbaarmaking een zwaarwegend opsporingsbelang schaadt, onvermeld blijft. Er zijn stukken en andere gegevensdragers die, op grond van de in het eerste lid van art. 187d Sv genoemde belangen, niet geopenbaard moeten worden. Hierbij moet bijvoorbeeld worden gedacht aan documenten behorende tot de CIE, interne verslagen van een infiltratiebegeleidingsteam of stukken van een observatieteam met betrekking tot medewerkende burgers die de gelegenheid hebben gegeven voor het plaatsen van camera’s.

Afschermprocedure

Tijdens een lopend opsporingsonderzoek kan er informatie worden verkregen die aanleiding kan geven tot het opstarten van een nieuw (deel)onderzoek (het ‘doelonderzoek’), terwijl het onderzoek waaruit de informatie voortkomt (het ‘brononderzoek’) nog geruime tijd moet worden afgeschermd. In dat geval zal de zogenaamde afschermprocedure gevolgd moeten worden. Door middel van deze procedure is het mogelijk om enerzijds afscherming te bieden aan het brononderzoek, terwijl anderzijds (zonodig) voldoende startinformatie wordt verschaft om een nieuw (deel)onderzoek te kunnen opstarten. De afschermprocedure kan uitkomst bieden in het geval tijdens een onderzoek informatie wordt verkregen over verboden goederen, zoals harddrugs of vuurwapens. Op grond van art. 126ff Sv geldt ten aanzien van dergelijke goederen in beginsel een verplichting tot inbeslagname als er voldoende aanwijzingen bestaan over hun bergplaats. Een ander voorbeeld waarbij de afscherm-procedure kan worden toegepast betreft het geval waarin informatie is verkregen die op zichzelf niet noodzaakt tot onmiddellijk optreden, maar ter zake waarvan de politie (met name een ander onderzoeksteam) om andere redenen graag mee aan de slag wil. De afschermprocedure vindt op de volgende wijze plaats:

  1. In de eerste plaats zal de zaaksofficier van justitie van het brononderzoek toestemming moeten geven voor het gebruik van de informatie in het doelonderzoek.

  2. Indien er toestemming is gegeven, zal er een zogeheten kluisproces-verbaal worden opgesteld door de teamleiding van het brononderzoek. Op basis hiervan wordt door de CIE-chef van de politieregio waar het doelonderzoek zal plaatsvinden, een afschermproces-verbaal opgesteld.

  3. In het kluisproces-verbaal is alle relevante informatie uit het brononderzoek opgenomen, zoals de naam van het onderzoek en de zaaksofficier van justitie, de regio waar het onderzoek wordt verricht en de wijze waarop de informatie ter beschikking is gekomen (toegepaste opsporingsmethodieken en/of bevoegdheden).

  4. De informatie die is opgenomen in het afschermproces-verbaal is niet te herleiden tot het af te schermen brononderzoek en zal, voor zover het de bedoeling is om een nieuw onderzoek op te starten, voldoende informatie moeten bevatten op grond waarvan een verdenking kan worden geconstrueerd ex art. 27 Sv.

  5. De afgeschermde informatie die is ingebracht in het doelonderzoek kan door de rechter en verdediging worden getoetst door de opsporingsambtenaar die het afschermproces-verbaal heeft opgemaakt (zoals de CIE-chef) als getuige te horen.

  6. Als uitgangspunt geldt dat de in een opsporingsonderzoek ingebrachte afgeschermde informatie wordt gebruikt als start- of sturingsinformatie en niet als bewijs.

  7. De afgeschermde informatie kan, afhankelijk van de aard en de inhoud van de informatie, ook zonder aanvullende informatie voldoende zijn om aan te nemen dat er sprake is van een verdenking in de zin van art. 27 Sv, zodat op basis daarvan kan worden overgegaan tot toepassing van dwangmiddelen, zoals doorzoeking en telefoontap. In die zin vervult afgeschermde informatie dezelfde rol als CIE-informatie (dus als start- of sturingsinformatie).

Artikel 4.3

Internationale samenwerking

Inkomende rechtshulpverzoeken en bijzondere opsporingsbevoegdheden

Aan een buitenlands rechtshulpverzoek tot toepassing van een bijzondere opsporingsbevoegdheid op Nederlands grondgebied kan alleen gevolg worden gegeven indien die bevoegdheid ook naar Nederlands recht kan worden uitgeoefend. De inwilliging van het verzoek mag niet in strijd komen met de Nederlandse wetsbepalingen, voorschriften en procedures (waaronder de in titel X van het Wetboek van Strafvordering opgenomen artikelen (artt. 552h-55q Sv)). Daarnaast is ook de regelgeving omtrent notificatie, bewaring en vernietiging van toepassing (artt. 126aa lid 2 en 126bb tot en met 126dd Sv).

Voor de vraag of uitvoering kan worden gegeven aan een in het kader van een buitenlands opsporingsonderzoek aan Nederland gedaan rechtshulpverzoek, dient niet het gehele buitenlandse opsporingsonderzoek – en dus ook het totale verloop daarvan – in die beoordeling te worden betrokken, doch uitsluitend de activiteiten die op Nederlands grondgebied in het kader van rechtshulp dienen te worden uitgevoerd.

Op grond van art. 552oa lid 1 Sv kunnen de in de artt. 126l/126s, 126m/126t, 126nd lid 6, 126ne/126ue lid 3, 126nf/126uf en 126ng/ug, 126zf, 126zg, 126zm, derde lid, 126zn en 126zo Sv opgenomen bijzondere opsporingsbevoegdheden uitsluitend worden toegepast indien een voor inwilliging vatbaar en op een verdrag gegrond rechtshulpverzoek van een buitenlandse rechterlijke autoriteit daartoe strekt. Bij de toepassing van deze bevoegdheden zal de officier van justitie, indien het toepasselijke wetsartikel dit voorschrijft, een machtiging moeten vorderen van de rechter-commissaris. De vordering van de officier van justitie aan de rechter-commissaris moet worden vergezeld van het rechtshulpverzoek en de overige gegevens die nodig zijn om te kunnen beoordelen of het verzoek kan worden ingewilligd.

Ten aanzien van de in de titels IVa, V, Va en Vc opgenomen bijzondere opsporingsbevoegdheden die niet in art. 552oa lid 1 Sv zijn opgenomen, geldt niet de eis dat het daartoe strekkende rechtshulpverzoek moet zijn gebaseerd op een verdrag.

Uitgaande rechtshulpverzoeken en bijzondere opsporingsbevoegdheden

Een verzoek om rechtshulp aan het buitenland waarin de toepassing wordt gevraagd van een bijzondere opsporingsbevoegdheid kan pas worden gedaan, nadat de voor de toepassing van deze bevoegdheid in Nederland geldende procedures en wettelijke voorschriften zijn gevolgd, zoals het verkrijgen van een machtiging van de rechter-commissaris in geval van het opnemen van telecommunicatie of, in geval van bijvoorbeeld infiltratie, de vereiste goedkeuring van het College na advies van de CTC. Aan het buitenland kan niet worden gevraagd om uitvoering te geven aan (bijzondere) opsporingsbevoegdheden die naar Nederlands recht niet zijn toegestaan.

Het rechtshulpverzoek zal via de (Landelijke) Internationale Rechtshulp Centra ((L)IRC’s) aan de bevoegde buitenlandse autoriteiten aangeboden moeten worden.

Een rechtshulpverzoek dat op het Europees Rechtshulpverdrag is gegrond, dient te worden verzonden via het Ministerie van Justitie (Afdeling Internationale Rechtshulp in Strafzaken). Een verzoek om rechtshulp aan een niet-verdragsland geschiedt uitsluitend via de zogenaamde diplomatieke weg, door tussenkomst van de Ministeries van Justitie (AIRS) en van Buitenlandse Zaken. De minister van Justitie is eindverantwoordelijk voor het verzoeken van rechtshulp aan een andere staat. Deze verantwoordelijkheid uit zich met name wanneer een verzoek wordt gedaan aan een land waarmee geen verdragsrelatie bestaat. AIRS beoordeelt – in samenspraak met het ministerie van Buitenlandse Zaken – of het mogelijk dan wel wenselijk is om aan een bepaald niet-verdragsland een rechtshulpverzoek te doen. Indien nodig kan met AIRS reeds op voorhand contact worden opgenomen opdat deze zo spoedig mogelijk kan vaststellen of kan worden ingestemd met het doen uitgaan van het rechtshulpverzoek.

Uitvoering inkomende en uitgaande rechtshulpverzoeken

Internationale Rechtshulp Centrum (hierna: IRC)

In Nederland zijn, naast de Afdeling Internationale Rechtshulp in Strafzaken van het Ministerie van Justitie (AIRS) (zie hierna), zes IRC’s en één landelijk rechtshulpcentrum (LIRC). Het IRC is een samenwerkingsverband tussen OM en politie. Bij de IRC’s werken zowel medewerkers van politie als van justitie. De IRC’s zijn het aanspreekpunt voor politie en justitie met betrekking tot internationale rechtshulp en rechtshulpverzoeken. Uitgaande rechtshulpverzoeken dienen via het IRC te worden verzonden.

De IRC’s hebben als taak:

  1. registratie van rechtshulpverzoeken. Dit geschiedt in het Landelijke uniform registratiesysteem inzake internationale rechtshulp in strafzaken (LURIS);

  2. uitvoering van eenvoudige rechtshulpverzoeken, alsmede de coördinatie van de uitvoering van overige rechtshulpverzoeken;

  3. houden van toezicht op de kwaliteit van de afhandeling van rechtshulpverzoeken;

  4. het uitvoeren van overdrachten en overnames strafvervolging en tenuitvoerlegging strafvonnissen;

  5. het uitvoeren van verzoeken tot uitlevering en inlevering;

  6. het functioneren als kennis- en expertisecentrum op het gebied van internationale rechtshulp, primair voor korpsleidingen, het openbaar ministerie en externe belanghebbenden.

Afdeling Internationale Rechtshulp in Strafzaken (hierna: AIRS)

De AIRS is het onderdeel van het Ministerie van Justitie dat de Minister van Justitie adviseert in zaken betreffende internationale rechtshulp in strafzaken. Waar in verdragen inzake internationale rechtshulp het Ministerie van Justitie is aangewezen als Centrale Autoriteit, vervult AIRS die rol. Daarnaast faciliteert AIRS de Nederlandse justitiële autoriteiten, als expertisecentrum, bij de uitoefening van wettelijke en verdragsrechtelijke taken. Naast concrete dienstverlening houdt AIRS zich ook bezig met beleidsontwikkeling op het terrein van internationale rechtshulp in strafzaken.

Waar het toepasselijke rechtshulpverdrag daar om vraagt, dienen rechtshulpverzoeken via de Centrale Autoriteit (AIRS) te worden verzonden. In dat geval verstuurt het IRC de rechtshulpverzoeken aan AIRS, die voor verdere verzending zorg draagt. Dit geldt ook voor rechtshulpverzoeken die niet op een verdrag zijn gebaseerd.

Inzet van buitenlandse opsporingsambtenaren in Nederland

Op grond van de artt. 126g, 126h, 126i en 126j Sv en het Samenwerkingsbesluit bijzondere opsporingsbevoegdheden (Stb. 1999, 549) kan de officier van justitie toestaan dat een buitenlandse opsporingsambtenaar in de openbare dienst van een vreemde staat wordt belast met de uitvoering van een bevel tot observatie, infiltratie, pseudokoop of pseudo-dienstverlening of het stelselmatige inwinnen van informatie, indien hij:

  1. in die vreemde staat beschikt over opsporingsbevoegdheid, en

  2. indien hij beschikt over de kennis en vaardigheden die nodig zijn voor de uitvoering van het bevel.

De officier van justitie die beslist over de inzet van een buitenlandse opsporingsambtenaar zal moeten oordelen of de buitenlandse opsporingsambtenaar beschikt over de nodige kennis en vaardigheden die noodzakelijk zijn voor de uitvoering van de bovengenoemde opsporingsbevoegdheden. De officier van justitie doet zich bij zijn oordeel omtrent de bij de buitenlandse opsporingsambtenaar aanwezige kennis en vaardigheden adviseren door het Team Nationale Coördinatie Politiële Infiltratie (TNCPI) van het KLPD. Daarnaast zullen de buitenlandse opsporingsambtenaren zich vooraf aan de volgende voorwaarden moeten verbinden:

  1. gedurende het optreden op Nederlands grondgebied is de met de uitvoering van het bevel belaste persoon gebonden aan het in Nederland geldende recht;

  2. de met de uitvoering van het bevel belaste persoon is verplicht te getuigen, indien hij hiertoe door de Nederlandse autoriteiten wordt opgeroepen;

  3. gedurende de periode die nodig is voor de uitvoering van het bevel is de daarmee belaste persoon gehouden de aanwijzingen van de Nederlandse opsporingsautoriteiten op te volgen;

  4. de met de uitvoering van het bevel belaste persoon doet van zijn optreden op Nederlands grondgebied verslag aan de Nederlandse opsporingsautoriteiten;

  5. de met de uitvoering van het bevel belaste persoon is niet bevoegd om op Nederlands grondgebied dwangmiddelen of andere bijzondere opsporingsbevoegdheden toe te passen dan genoemd in het bevel.

Deze vijf voorwaarden zullen moeten worden opgenomen in het hiervoor genoemde bevel.

← terug naar Aanwijzing opsporingsbevoegdheden