Wet politiegegevens Laatste controle 14-05-2026, laatste wijziging 19-04-2026 (Bron: wetten.overheid.nl).

Inhoud

§ 7

Slotbepalingen

Artikel 46

  1. Het bij of krachtens de Wet politiegegevens bepaalde met betrekking tot de gegevensverwerking, bedoeld in de artikelen 10, eerste lid onder a, en 12, is van overeenkomstige toepassing op de verwerking van persoonsgegevens door een ambtenaar, werkzaam bij een bijzondere opsporingsdienst, bedoeld in artikel 2 van de Wet op de bijzondere opsporingsdiensten. Op voordracht van Onze Ministers en Onze Minister wie het mede aangaat worden bij algemene maatregel van bestuur ook andere onderdelen van het bij of krachtens deze wet bepaalde van overeenkomstige toepassing verklaard op de verwerking van persoonsgegevens door een ambtenaar, werkzaam bij een bijzondere opsporingsdienst, bedoeld in artikel 2 van de Wet op de bijzondere opsporingsdiensten, of een buitengewoon opsporingsambtenaar, bedoeld in artikel 142, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering.

  2. Voor zover toepassing is gegeven aan het eerste lid:

    1. stelt de verwerkingsverantwoordelijke politiegegevens voor verdere verwerking ter beschikking aan opsporingsambtenaren, als bedoeld in de artikelen 141, onderdeel d, en 142, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering, voor zover zij deze behoeven voor de vervulling van hun taak;

    2. stelt de verwerkingsverantwoordelijke van de bijzondere opsporingsdienst of van de buitengewoon opsporingsambtenaar, bedoeld in artikel 142, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering, de gegevens waarop het bepaalde bij of krachtens deze wet van toepassing of van overeenkomstige toepassing is ter beschikking aan personen die overeenkomstig artikel 6, tweede lid, zijn geautoriseerd voor de verwerking van politiegegevens, voor zover zij deze behoeven voor de vervulling van hun taak.

    Artikel 15, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing.

  3. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld over de ambtenaren die werkzaam zijn bij een bijzondere opsporingsdienst, die tot het verwerken van politiegegevens als bedoeld in het eerste lid kunnen worden geautoriseerd, alsmede over het beheer en de organisatie van de bijzondere opsporingsdienst waar zij werkzaam zijn.

Artikel 47

Onze Ministers zenden binnen vijf jaar na de inwerkingtreding van deze wet, en vervolgens telkens na vier jaar, gehoord de Autoriteit persoonsgegevens, aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en effecten van deze wet in de praktijk.

Artikel 48

In wettelijke procedures en rechtsgedingen tegen een beslissing die op grond van de Wet politieregisters is genomen op een verzoek om kennisneming, verbetering, aanvulling, verwijdering of afscherming van politiegegevens, dan wel op tegen een dergelijke beslissing in te stellen of ingesteld beroep, blijven, zowel in eerste aanleg als in verdere instantie, de regels van toepassing, die golden voor de intrekking van die wet.

Artikel 51

Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld.

Artikel 52

Deze wet wordt aangehaald als: Wet politiegegevens.

← terug naar Wet politiegegevens