Wegenverkeerswet 1994 Laatste controle 29-03-2026, laatste wijziging 28-03-2026.

Inhoud
Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen
Hoofdstuk aIA Verkeersveiligheidsbeleid
Hoofdstuk IA De Dienst Wegverkeer
Hoofdstuk IB Het CBR
Hoofdstuk IBA Erkenning van bedrijven voor het verrichten van handelingen met betrekking tot de registratie van gegevens in het kentekenregister, de fabricage of registratie van kentekenplaten, de keuring van voertuigen of de inbouw van onderdelen of apparaten in voertuigen
Hoofdstuk IC Toezicht op keuringsinstellingen en onderzoeksgerechtigden
Hoofdstuk II Verkeersgedrag
Hoofdstuk III Goedkeuring van voertuigen en systemen, onderdelen, technische eenheden, voertuigdelen, uitrustingsstukken en voorzieningen voor dergelijke voertuigen en aanhangwagens daarvan en van voorzieningen die ter bescherming van inzittenden van voertuigen en kwetsbare weggebruikers zijn ontworpen en gebouwd
Hoofdstuk IIIA Aanvullende eisen voor het op de markt aanbieden of in de handel brengen van voertuigen en banden
Hoofdstuk IV Kentekens en kentekenbewijzen
Hoofdstuk IVA Registratie van fietsen en andere mobiele objecten
Hoofdstuk IVB Tellerstanden
Hoofdstuk V Gebruik van voertuigen op de weg
§ 1 Algemene bepalingen
§ 2 Periodieke keuringsplicht
§ 3 Aanvraag en afgifte van keuringsrapporten
§ 4 Geldigheid keuringsbewijzen
§ 5 Kwaliteitstoezicht periodieke keuringen
§ 6 Herkeuring en deskundigenonderzoek
§ 7 Wijziging in de goedkeuring van voertuigen
§ 9 Keuring na verval tenaamstelling
Hoofdstuk VI Rijvaardigheid en rijbevoegdheid
Hoofdstuk VIB Intelligente vervoerssystemen op het gebied van wegvervoer
Hoofdstuk VII Vrijstelling, ontheffing en vergunning
Hoofdstuk VIIA Vakbekwaamheid bestuurders goederen- en personenvervoer over de weg
Hoofdstuk VIII Kosten
Hoofdstuk IX Handhaving
Hoofdstuk X Bestuurlijke handhaving
Hoofdstuk XI Strafbepalingen
Hoofdstuk XII Civiele aansprakelijkheid
Hoofdstuk XIII Slotbepalingen

Hoofdstuk IV

Kentekens en kentekenbewijzen

Artikel 36

  1. Aan de eigenaar of houder van een motorrijtuig of een aanhangwagen op de weg dient overeenkomstig bij algemene maatregel van bestuur vastgestelde regels door de Dienst Wegverkeer een kenteken voor dat voertuig te zijn opgegeven.

  2. Ter zake van de in het eerste lid bedoelde opgave dient overeenkomstig bij algemene maatregel van bestuur vastgestelde regels door de Dienst Wegverkeer een kentekenbewijs te zijn afgegeven aan de eigenaar of houder van het voertuig.

  3. Het kentekenbewijs dient:

    1. te voldoen aan de bij ministeriële regeling vastgestelde eisen inzake inrichting en uitvoering,

    2. zijn geldigheid niet te hebben verloren,

    3. niet te zijn ingevorderd, en

    4. behoorlijk leesbaar te zijn.

  4. Vervallen.

  5. Motorrijtuigen en aanhangwagens dienen overeen te komen met de gegevens in het voor het betrokken voertuig afgegeven kentekenbewijs en met de gegevens die omtrent het voertuig zijn opgenomen in het kentekenregister, tenzij krachtens artikel 71 een bepaalde afwijking van die gegevens is toegestaan.

  6. Voor overtreding van het eerste tot en met vijfde lid zijn aansprakelijk:

    1. voor zover het betreft een motorrijtuig, de eigenaar of houder die het motorrijtuig op de weg laat staan of daarmee over de weg laat rijden, alsmede in het geval dat met dat motorrijtuig over de weg wordt gereden, de bestuurder, en

    2. voor zover het betreft een aanhangwagen, de eigenaar of houder die de aanhangwagen op de weg laat staan of deze met een motorrijtuig over de weg laat voortbewegen, alsmede in het geval dat de aanhangwagen met een motorrijtuig over de weg wordt voortbewogen, de bestuurder van dat motorrijtuig.

  7. De in het derde lid, onderdeel a, bedoelde eisen kunnen mede dienstbaar zijn aan de heffing van de belasting van personenauto’s en motorrijwielen en van de motorrijtuigenbelasting.

  8. Bij ministeriële regeling worden nadere regels vastgesteld ter uitvoering van het eerste en het tweede lid.

Artikel 37

  1. Artikel 36 is niet van toepassing op:

    1. de volgende categorieën motorrijtuigen:

      1. bij algemene maatregel van bestuur vastgestelde categorieën bromfietsen, alsmede bromfietsen in het internationaal verkeer, afkomstig uit een land waar voor deze voertuigen geen kenteken is opgegeven,

      2. bij algemene maatregel van bestuur aangewezen landbouw- of bosbouwtrekkers, motorrijtuigen met beperkte snelheid en mobiele machines, en

      3. gehandicaptenvoertuigen;

    2. in het buitenland geregistreerde motorrijtuigen en aanhangwagens, die zich in het internationaal verkeer bevinden, mits ter zake van de registratie van het betrokken voertuig door het daartoe bevoegde gezag in het buitenland een bewijs is afgegeven dat voldoet aan de daaraan gestelde eisen in de tussen Nederland en het betrokken land van kracht zijnde internationale overeenkomst en het betrokken voertuig voldoet aan de eisen die in die overeenkomst dan wel bij algemene maatregel van bestuur ter uitvoering van die overeenkomst aan dat voertuig worden gesteld met betrekking tot de toelating tot het internationaal verkeer;

    3. motorrijtuigen en aanhangwagens, mits wordt voldaan aan nadere bij ministeriële regeling vast te stellen regels, die in eigendom toebehoren aan of worden gehouden door:

      1. leden van een bij ministeriële regeling aangewezen krijgsmacht of civiele dienst in de zin van artikel I van het op 19 juni 1951 te Londen gesloten Verdrag tussen de landen die partij zijn bij het Noord-Atlantisch Verdrag nopens de rechtspositie van hun krijgsmachten (Trb. 1953, 10), dan wel in de zin van artikel 3 van het bij evenbedoeld verdrag behorende, op 28 augustus 1952 te Parijs gesloten, protocol nopens de rechtspositie van internationale militaire hoofdkwartieren ingesteld uit hoofde van het Noord-Atlantisch Verdrag (Trb. 1953, 11), alsmede

      2. functionarissen van de Noord-Atlantische Verdragsorganisatie die in Nederland zijn op grond van de briefwisseling tussen de regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Noord-Atlantische Verdragsorganisatie van 31 augustus en 11 september 1979 (Trb.1979, 159) en op wie het Verdrag nopens de rechtspositie van de Noord-Atlantische Verdragsorganisatie, van de nationale vertegenwoordigers bij haar organen en van haar internationale staf (Trb.1951, 139), van toepassing is.

  2. Artikel 36 is voorts niet van toepassing op:

    1. aanhangwagens die uitsluitend bestemd zijn om te worden voortbewogen door de in het eerste lid, onderdeel a, onder 1° en 3°, genoemde motorrijtuigen;

    2. aanhangwagens met een toegestane maximummassa van:

      1. niet meer dan 750 kg;

      2. meer dan 750 kg afkomstig uit een land waar voor deze aanhangwagens geen afzonderlijk kenteken is opgegeven,

      met dien verstande dat wanneer een dergelijke aanhangwagen is verbonden met een in Nederland geregistreerd motorrijtuig die aanhangwagen is voorzien van het kenteken dat is opgegeven voor dat motorrijtuig; en

    3. bij algemene maatregel van bestuur aangewezen aanhangwagens die uitsluitend zijn bestemd om te worden voortbewogen door een landbouw- of bosbouwtrekker, een motorrijtuig met beperkte snelheid of een mobiele machine, met dien verstande dat een dergelijke aanhangwagen is voorzien van een kenteken dat is opgegeven voor een landbouw- of bosbouwtrekker, motorrijtuig met beperkte snelheid of mobiele machine waarvan de eigenaar of houder dezelfde is als de eigenaar of houder van de landbouw- of bosbouwtrekker, het motorrijtuig met beperkte snelheid of de mobiele machine waarmee die aanhangwagen verbonden is.

  3. Voor bij algemene maatregel van bestuur aangewezen motorrijtuigen en aanhangwagens geldt niet het vereiste dat een kenteken voor een bepaald voertuig dient te zijn opgegeven, mits overeenkomstig die maatregel gebruik wordt gemaakt van een bij die maatregel aangewezen kenteken. De Dienst Wegverkeer kan aan deze opgaven voorschriften verbinden. Bij ministeriële regeling kunnen met betrekking tot die voorschriften regels worden vastgesteld. Bij algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald in welke gevallen het gebruik van een zodanig kenteken verplicht is.

  4. Met het toezicht op de naleving van de uit het derde lid voortvloeiende verplichtingen zijn belast de bij besluit van de Dienst Wegverkeer aangewezen ambtenaren. Van een zodanig besluit wordt mededeling gedaan door plaatsing in de Staatscourant. Het toezicht heeft in ieder geval betrekking op het gebruik van het in het derde lid bedoelde kenteken. De aldaar bedoelde natuurlijke persoon of rechtspersoon is gehouden tot betaling, op de door de Dienst Wegverkeer vastgestelde wijze, van het door deze dienst ter zake van de kosten van het toezicht vastgestelde tarief. Bij ministeriële regeling worden nadere regels omtrent het toezicht vastgesteld.

  5. Bij algemene maatregel van bestuur kan onder daarbij te stellen voorwaarden worden bepaald dat:

    1. in bepaalde uitzonderingsgevallen tijdelijk wordt of kan worden afgeweken van het in artikel 36, derde lid, onderdeel b of c, bepaalde;

    2. een motorrijtuig of een aanhangwagen op de weg mag staan, indien de tenaamstelling vervallen is verklaard ingevolge artikel 51a, derde lid, onderdeel b, c, d of f.

  6. Bij algemene maatregel van bestuur worden nadere regels vastgesteld omtrent de omschrijving van de in het eerste lid, onderdeel a, bedoelde categorieën voertuigen alsmede de voor die categorieën vastgestelde maximumsnelheid.

  7. Bij ministeriële regeling worden nadere regels vastgesteld ter uitvoering van het derde lid en kunnen nadere regels worden vastgesteld ter uitvoering van het vijfde lid.

Artikel 38

  1. Bij algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald dat bepaalde categorieën van kentekens slechts worden opgegeven aan bij die algemene maatregel van bestuur aan te wijzen personen of groepen van personen dan wel voor daarbij aan te wijzen voertuigen of groepen van voertuigen, zulks onder daarbij te stellen voorwaarden.

  2. Bij ministeriële regeling worden nadere regels vastgesteld ter uitvoering van het eerste lid.

Artikel 40

  1. Het kenteken dient behoorlijk zichtbaar op of aan het motorrijtuig of de aanhangwagen aanwezig te zijn.

  2. Bij algemene maatregel van bestuur worden nadere regels vastgesteld omtrent de inrichting, het aanbrengen en de verlichting van het kenteken en worden regels vastgesteld omtrent de kentekenplaat en de onderdelen daarvan, alsmede de daarop aan te brengen merken.

  3. Bij ministeriële regeling worden nadere regels vastgesteld ter uitvoering van het bepaalde krachtens het tweede lid.

  4. Voor overtreding van het eerste lid dan wel het bepaalde krachtens het tweede of derde lid zijn aansprakelijk:

    1. voor zover het betreft een motorrijtuig, de eigenaar of houder die het motorrijtuig op de weg laat staan of daarmee over de weg laat rijden, alsmede in het geval dat met dat motorrijtuig over de weg wordt gereden, de bestuurder, en

    2. voor zover het betreft een aanhangwagen, de eigenaar of houder die de aanhangwagen op de weg laat staan of deze met een motorrijtuig over de weg laat voortbewegen, alsmede in het geval dat de aanhangwagen met een motorrijtuig over de weg wordt voortbewogen, de bestuurder van dat motorrijtuig.

Artikel 41

  1. Het is verboden:

    1. op een motorrijtuig of een aanhangwagen enig teken of middel aan te brengen of te doen aanbrengen met het oogmerk de herkenning, daaronder begrepen de herkenning met behulp van technische voorzieningen, van het ingevolge artikel 40 gevoerde kenteken te bemoeilijken;

    2. een motorrijtuig op de weg te laten staan of daarmee over de weg te rijden dan wel een aanhangwagen op de weg te laten staan of met een motorrijtuig over de weg voort te bewegen, wanneer op dat motorrijtuig of die aanhangwagen enig teken of middel is aangebracht, waardoor de herkenning, daaronder begrepen de herkenning met behulp van technische voorzieningen, van het ingevolge artikel 40 gevoerde kenteken wordt bemoeilijkt;

    3. op een motorrijtuig of een aanhangwagen een teken, niet zijnde een ingevolge artikel 36 aan de eigenaar of houder voor dat motorrijtuig of die aanhangwagen opgegeven kenteken, aan te brengen of te doen aanbrengen met het oogmerk dat teken te doen doorgaan voor een zodanig kenteken dan wel met de kennelijke bedoeling dat teken te doen doorgaan voor een overeenkomstig de daarvoor geldende voorschriften opgegeven buitenlands kenteken dan wel een met toepassing van artikel 37, derde lid, opgegeven kenteken;

    4. een motorrijtuig op de weg te laten staan of daarmee over de weg te rijden dan wel een aanhangwagen op de weg te laten staan of met een motorrijtuig over de weg voort te bewegen, wanneer op dat motorrijtuig of die aanhangwagen een teken is aangebracht dat, niet zijnde een ingevolge artikel 36 aan de eigenaar of houder voor dat motorrijtuig of die aanhangwagen opgegeven kenteken, door kan gaan voor een zodanig kenteken dan wel voor een overeenkomstig de daarvoor geldende voorschriften opgegeven buitenlands kenteken of een met toepassing van artikel 37, derde lid, opgegeven kenteken;

    5. op een in het buitenland geregistreerd motorrijtuig of een in het buitenland geregistreerde aanhangwagen een teken, niet zijnde een aldaar voor dat voertuig of aan de eigenaar of houder daarvan opgegeven kenteken, aan te brengen of te doen aanbrengen met het oogmerk dat teken te doen doorgaan voor een zodanig kenteken;

    6. een in het buitenland geregistreerd motorrijtuig op de weg te laten staan of daarmee over de weg te rijden dan wel een in het buitenland geregistreerde aanhangwagen op de weg te laten staan of met een motorrijtuig over de weg voort te bewegen, wanneer op dat motorrijtuig of die aanhangwagen een teken is aangebracht dat, niet zijnde een in het buitenland voor dat voertuig of aan de eigenaar of houder daarvan opgegeven kenteken, door kan gaan voor een zodanig kenteken.

  2. Voor overtreding van het eerste lid, onderdelen b, d en f, zijn aansprakelijk:

    1. voor zover het betreft een motorrijtuig, de eigenaar of houder die het motorrijtuig op de weg laat staan of daarmee over de weg laat rijden, alsmede in het geval dat met dat motorrijtuig over de weg wordt gereden, de bestuurder, een en ander echter slechts indien de eigenaar, houder of bestuurder weet of redelijkerwijze kan vermoeden dat op het motorrijtuig een teken of middel als bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, dan wel een teken als bedoeld in het eerste lid, onderdeel d of f, is aangebracht, en

    2. voor zover het betreft een aanhangwagen, de eigenaar of houder die de aanhangwagen op de weg laat staan of deze met een motorrijtuig over de weg laat voortbewegen, alsmede in het geval dat de aanhangwagen met een motorrijtuig over de weg wordt voortbewogen, de bestuurder van dat motorrijtuig, een en ander echter slechts indien de eigenaar, houder of bestuurder weet of redelijkerwijze kan vermoeden dat op de aanhangwagen een teken of middel als bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, dan wel een teken als bedoeld in het eerste lid, onderdeel d of f, is aangebracht.

Artikel 41a

  1. Voor de toepassing van deze paragraaf wordt verstaan onder:

    1. overheidsorgaan: bestuursorgaan als bedoeld in artikel 1:1, eerste lid, onderdeel a, van de Algemene wet bestuursrecht en personen of instanties als bedoeld in het tweede lid;

    2. basisregistratie: verzameling gegevens waarvan bij wet is bepaald dat deze authentieke gegevens bevat;

    3. authentiek gegeven: in een basisregistratie opgenomen gegeven dat bij of krachtens wet als authentiek is aangemerkt.

  2. In aanvulling op het eerste lid wordt onder overheidsorgaan mede verstaan de bij ministeriële regeling aangewezen personen of instanties die een publieke taak uitoefenen, voor zover die aanwijzing naar het oordeel van Onze Minister noodzakelijk is met het oog op een goede uitoefening van hun publieke taak.

Artikel 42

  1. Er is een kentekenregister. Dit register is een basisregistratie.

  2. De Dienst Wegverkeer is de beheerder en verwerkingsverantwoordelijke van het kentekenregister.

  3. In het kentekenregister verwerkt de Dienst Wegverkeer gegevens omtrent motorrijtuigen en aanhangwagens waarvoor een kenteken is opgegeven en de tenaamstelling van die motorrijtuigen en aanhangwagens, alsmede omtrent andere motorrijtuigen en aanhangwagens.

  4. Het verzamelen van de gegevens, bedoeld in het derde lid, geschiedt voor de volgende doeleinden:

    1. voor een goede uitvoering van het bepaalde bij of krachtens deze wet en voor de handhaving van de bij of krachtens deze wet gestelde voorschriften,

    2. voor een goede uitvoering van het bepaalde bij of krachtens de Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994, de Wet op de belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992, de Wet belasting zware motorrijtuigen, de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen, de Wet tijdelijke tolheffing Blankenburgverbinding en ViA15, de Wet vrachtwagenheffing, de Wet implementatie EETS-richtlijn, dan wel andere wettelijke regelingen ten aanzien van motorrijtuigen of aanhangwagens en voor de handhaving van het bepaalde bij of krachtens die wettelijke regelingen, en

    3. om overheidsorganen te voorzien van gegevens uit het kentekenregister voor zover zij aangeven deze gegevens nodig te hebben voor een goede uitoefening van hun publieke taak.

  5. De Dienst Wegverkeer mag persoonsgegevens van strafrechtelijke aard als bedoeld in paragraaf 3.2 van de Uitvoeringswet Algemene verordening gegevensbescherming verwerken voor zover dit verband houdt met de in het vierde lid, onderdelen a en b, genoemde doeleinden.

  6. Bij algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld betreffende de inrichting en het beheer van het kentekenregister, waaronder mede wordt begrepen de nadere uitwerking van de gegevens, persoonsgegevens en persoonsgegevens van strafrechtelijke aard als bedoeld in paragraaf 3.2 van de Uitvoeringswet Algemene verordening gegevensbescherming, die in het kentekenregister worden verwerkt.

  7. De gegevens omtrent motorrijtuigen en aanhangwagens die de Dienst Wegverkeer verwerkt in het landsbelang, worden niet opgenomen in het kentekenregister.

Artikel 42a

  1. De gegevens in het kentekenregister worden onderscheiden in:

    1. authentieke en niet-authentieke gegevens;

    2. gevoelige en niet-gevoelige gegevens.

  2. Als authentieke gegevens worden aangemerkt:

    1. gegevens die op grond van een bindend besluit van de Raad van de Europese Unie, van het Europees Parlement en de Raad gezamenlijk of van de Commissie van de Europese Unie verplicht op het kentekenbewijs zijn opgenomen voor zover de desbetreffende gegevens niet reeds op grond van een andere wettelijke bepaling als authentiek zijn aangemerkt;

    2. de voertuigcategorieën die worden onderscheiden in de EU-kaderverordeningen;

    3. de tenaamstelling van een motorrijtuig of aanhangwagen.

  3. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen andere authentieke gegevens of categorieën daarvan worden aangewezen. Bij algemene maatregel van bestuur kan tevens als authentiek worden aangewezen de samenstelling van een uit een andere basisregistratie afkomstig gegeven met een of meer gegevens uit het kentekenregister.

  4. Bij algemene maatregel van bestuur worden gevoelige en niet-gevoelige gegevens of categorieën daarvan aangewezen.

Artikel 43

  1. Aan overheidsorganen worden door de Dienst Wegverkeer uit het kentekenregister gegevens, waaronder mede begrepen persoonsgegevens en persoonsgegevens van strafrechtelijke aard als bedoeld in paragraaf 3.2 van de Uitvoeringswet Algemene verordening gegevensbescherming, verstrekt voor zover zij aangeven die gegevens nodig te hebben voor de uitoefening van hun publieke taak.

  2. Aan autoriteiten binnen de andere lidstaten van de Europese Unie en de andere staten die partij zijn bij de Overeenkomst buiten Nederland betreffende de Europese Economische Ruimte worden door de Dienst Wegverkeer in de bij of krachtens algemene maatregel van bestuur aangewezen gevallen uit het kentekenregister gegevens, waaronder mede begrepen persoonsgegevens en persoonsgegevens van strafrechtelijke aard als bedoeld in paragraaf 3.2 van de Uitvoeringswet Algemene verordening gegevensbescherming verstrekt.

  3. Aan autoriteiten buiten Nederland, niet zijnde autoriteiten uit lidstaten van de Europese Unie en staten die partij zijn bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte worden door de Dienst Wegverkeer in de bij of krachtens algemene maatregel van bestuur aangewezen gevallen uit het kentekenregister gegevens, waaronder mede begrepen persoonsgegevens en persoonsgegevens van strafrechtelijke aard als bedoeld in paragraaf 3.2 van de Uitvoeringswet Algemene verordening gegevensbescherming, verstrekt. Gegevens, waaronder mede begrepen persoonsgegevens en persoonsgegevens van strafrechtelijke aard als bedoeld in paragraaf 3.2 van de Uitvoeringswet Algemene verordening gegevensbescherming, kunnen ook worden verstrekt aan instellingen van internationale organisaties, voor zover dit ter uitvoering van een verdrag of een bindend besluit van een internationale organisatie vereist is.

  4. Aan bij of krachtens algemene maatregel van bestuur aangewezen personen of instanties of categorieën personen of instanties, niet zijnde de in het eerste tot en met derde lid bedoelde instanties, kunnen desgevraagd door de Dienst Wegverkeer voor de bij of krachtens algemene maatregel van bestuur aangegeven doeleinden uit het kentekenregister gevoelige gegevens, waaronder mede begrepen persoonsgegevens en persoonsgegevens van strafrechtelijke aard als bedoeld in paragraaf 3.2 van de Uitvoeringswet Algemene verordening gegevensbescherming, worden verstrekt.

  5. Niet-gevoelige gegevens uit het kentekenregister kunnen aan een ieder worden verstrekt.

  6. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen voor de uitvoering van het eerste tot en met het vijfde lid nadere regels worden gesteld met betrekking tot de uit het kentekenregister te verstrekken gegevens, de wijze van verstrekking van die gegevens en kunnen voorwaarden worden verbonden aan de verstrekking van die gegevens.

Artikel 43a

  1. De gegevensverstrekking aan ontvangers, bedoeld in artikel 43 vindt plaats op door de Dienst Wegverkeer bepaalde wijze.

  2. De in artikel 43, vierde en vijfde lid, bedoelde ontvangers zijn voor de verstrekking van gegevens een door de Dienst Wegverkeer vastgesteld tarief verschuldigd. De betrokkene zelf is alleen kosten verschuldigd voor bijkomende kopieën van persoonsgegevens, waaronder mede begrepen persoonsgegevens van strafrechtelijke aard als bedoeld in paragraaf 3.2 van de Uitvoeringswet Algemene verordening gegevensbescherming, alsmede voor de verstrekking van gegevens, niet zijnde persoonsgegevens.

  3. Onverminderd het tweede lid is degene die op grond van artikel 43 een aanvraag indient tot geautomatiseerde verstrekking uit het kentekenregister van gegevens in door de Dienst Wegverkeer te bepalen gevallen een door deze dienst te bepalen aansluittarief verschuldigd.

Artikel 43b

  1. Een overheidsorgaan dat bij de vervulling van zijn publieke taak een gegeven nodig heeft dat bij of krachtens deze wet als authentiek gegeven is aangewezen en in het kentekenregister is opgenomen, maakt gebruik van dat gegeven.

  2. Het eerste lid is niet van toepassing indien:

    1. het overheidsorgaan ten aanzien van het betreffende gegeven een melding heeft gedaan als bedoeld in artikel 43c, eerste lid;

    2. bij het betreffende gegeven een aantekening is geplaatst als bedoeld in artikel 43c, derde lid;

    3. bij wettelijk voorschrift anders is bepaald;

    4. een goede vervulling van de publieke taak van het overheidsorgaan door de onverkorte toepassing van het eerste lid wordt belet.

  3. Een natuurlijke persoon of rechtspersoon aan wie door een overheidsorgaan een gegeven wordt gevraagd, waarop het eerste lid van toepassing is, behoeft dat gegeven niet mede te delen, behoudens voor zover het gegeven noodzakelijk wordt geacht voor een deugdelijke vaststelling van de identiteit van betrokkene of van het voertuig.

Artikel 43c

  1. Een overheidsorgaan dat gerede twijfel heeft over de juistheid van een in het kentekenregister opgenomen authentiek gegeven, meldt die twijfel, onder opgave van redenen, aan de Dienst Wegverkeer.

  2. Indien een melding als bedoeld in het eerste lid betrekking heeft op een gegeven dat afkomstig is uit een andere basisregistratie zendt de Dienst Wegverkeer de melding door aan de beheerder van dat register, tenzij met het overheidsorgaan dat een melding als bedoeld in het eerste lid doet is afgesproken dat dit overheidsorgaan de melding rechtstreeks doet aan de beheerder van het register waaruit het authentieke gegeven afkomstig is.

  3. De Dienst Wegverkeer tekent na ontvangst van een melding als bedoeld in het eerste lid, op de door deze dienst te bepalen wijze, in het kentekenregister aan dat het desbetreffende gegeven «in onderzoek» is, tenzij het een melding betreft die op grond van het tweede lid wordt doorgezonden aan de beheerder van een andere basisregistratie.

  4. Indien een melding als bedoeld in het eerste lid betrekking heeft op een gegeven dat bij of krachtens deze wet als authentiek is aangewezen, besluit de Dienst Wegverkeer over wijziging van het gegeven en bericht deze dienst het overheidsorgaan dat de melding heeft gedaan onverwijld over deze beslissing.

  5. Indien het besluit, bedoeld in het vierde lid, leidt tot wijziging van het authentieke gegeven doet de Dienst Wegverkeer onverwijld mededeling aan degene op wie het authentieke gegeven betrekking heeft, dan wel aan degene aan wie het kentekenbewijs is afgegeven voor het motorrijtuig of de aanhangwagen waarop het desbetreffende authentieke gegeven betrekking heeft.

  6. De Dienst Wegverkeer verwijdert de aantekening dat een gegeven in onderzoek is wanneer het besluit omtrent wijziging onherroepelijk is.

  7. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen ter uitvoering van dit artikel nadere regels worden gesteld.

Artikel 43d

  1. Indien de Dienst Wegverkeer constateert dat een door deze dienst in het kentekenregister geplaatst gegeven onjuist of ten onrechte in het kentekenregister is opgenomen, wijzigt of verwijdert deze dienst dat gegeven.

  2. Indien de Dienst Wegverkeer constateert dat een gegeven ten onrechte niet in het kentekenregister is opgenomen, neemt deze dienst dat gegeven alsnog in het kentekenregister op.

  3. Van de beslissing tot wijzigen, verwijderen, dan wel alsnog opnemen van een authentiek gegeven in het kentekenregister doet de Dienst Wegverkeer onverwijld mededeling aan degene op wie het authentieke gegeven betrekking heeft, dan wel aan degene aan wie het kentekenbewijs is afgegeven voor het motorrijtuig of de aanhangwagen waarop het desbetreffende authentieke gegeven betrekking heeft.

Artikel 43e

  1. Indien een belanghebbende gegronde redenen heeft om aan te nemen dat een gegeven dat bij of krachtens deze wet als authentiek is aangemerkt of een niet-authentiek gegeven onjuist of ten onrechte wel, dan wel ten onrechte niet in het kentekenregister is opgenomen, kan hij onder opgave van die redenen aan de Dienst Wegverkeer een verzoek doen tot wijziging, verwijdering of opneming van dat gegeven.

  2. De Dienst Wegverkeer beslist naar aanleiding van een verzoek als bedoeld in het eerste lid over wijziging, verwijdering of opneming van het betreffende gegeven en bericht de belanghebbende die het verzoek heeft gedaan over deze beslissing.

Artikel 43f

Onverminderd artikel 43c zijn overheidsorganen gehouden om aan de Dienst Wegverkeer op de door deze dienst te bepalen wijze mededeling te doen van de hen in de uitoefening van hun functie ter kennis gekomen feiten, ingeval deze feiten aanleiding kunnen zijn om tot wijziging of aanvulling van de in het kentekenregister opgenomen gegevens over te gaan, dan wel anderszins van belang kunnen zijn voor de juistheid van deze gegevens.

Artikel 44

  1. De Dienst Wegverkeer neemt maatregelen met het oog op het waarborgen van de juistheid, de actualiteit en de volledigheid van het kentekenregister.

  2. De Dienst Wegverkeer laat ten minste eenmaal in de drie jaar een registeraccountant, dan wel een accountant die is ingeschreven in het register bedoeld in artikel 36, eerste lid, van de Wet op de Accountants-Administratieconsulenten, een oordeel geven over de opzet en werking van het stelsel van interne beheersmaatregelen.

  3. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld ter uitvoering van het eerste en tweede lid.

Artikel 45a

  1. Met het toezicht op het gebruik overeenkomstig het bepaalde bij of krachtens deze wet van uit het kentekenregister verstrekte gegevens zijn belast de bij besluit van de Dienst Wegverkeer aangewezen ambtenaren. Van een zodanig besluit wordt mededeling gedaan door plaatsing in de Staatscourant.

  2. Indien de Dienst Wegverkeer gerede twijfel heeft over de juistheid van een gegeven uit het kentekenregister dat betrekking heeft op een motorrijtuig of aanhangwagen, kan deze dienst degene die als tenaamgestelde in het kentekenregister staat geregistreerd dan wel, indien het voertuig niet tenaamgesteld is, de erkenninghouder die het voertuig ter inschrijving in het kentekenregister heeft aangeboden of die het voertuig in zijn bedrijfsvoorraad heeft opgenomen gelasten dat voertuig ter inspectie aan de Dienst Wegverkeer ter beschikking te stellen.

  3. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur wordt bepaald in welke gevallen door de Dienst Wegverkeer een door deze dienst vastgesteld tarief ter zake van de kosten van toezicht als bedoeld in het eerste lid of van de inspectie bedoeld in het tweede lid in rekening wordt gebracht. Dit tarief wordt op door de Dienst Wegverkeer te bepalen wijze in rekening gebracht.

  4. Verstrekking van gegevens uit het kentekenregister kan achterwege worden gelaten indien naar het oordeel van de Dienst Wegverkeer sprake is van handelen in strijd met de doeleinden waarvoor dan wel de voorwaarden waaronder is verstrekt.

Artikel 46

  1. Bij algemene maatregel van bestuur worden regels vastgesteld betreffende de met de registratie van kentekens samenhangende verplichtingen van degene:

    1. die de eigendom, het bezit of het houderschap van een motorrijtuig of een aanhangwagen, waarvoor nog geen kenteken is opgegeven, heeft verkregen;

    2. aan wie een kenteken is opgegeven;

    3. die de eigendom, het bezit of het houderschap van een motorrijtuig of een aanhangwagen, waarvoor een kenteken is opgegeven, heeft verkregen.

  2. Bij ministeriële regeling worden nadere regels vastgesteld ter uitvoering van het eerste lid.

Artikel 47

Motorrijtuigen en aanhangwagens op de weg waarvoor een kenteken is opgegeven dienen overeenkomstig bij algemene maatregel van bestuur vastgestelde regels te zijn ingeschreven in het kentekenregister en tenaamgesteld.

Artikel 48

  1. Inschrijving in het kentekenregister en tenaamstelling vinden, tegen betaling, op de door de Dienst Wegverkeer vastgestelde wijze, van de daarvoor door deze dienst vastgestelde tarieven, plaats op aanvraag van:

    1. in Nederland woonachtige natuurlijke personen die de leeftijd van achttien jaren hebben bereikt, dan wel

    2. in Nederland woonachtige natuurlijke personen die de leeftijd van zestien jaren hebben bereikt indien de aanvraag betrekking heeft een inschrijving en tenaamstelling van een bromfiets, en

    3. in Nederland gevestigde rechtspersonen.

  2. Inschrijving in het kentekenregister vindt slechts plaats indien het motorrijtuig of de aanhangwagen waarvoor de inschrijving wordt verlangd, voorzien is van een goedkeuring als bedoeld in artikel 21, tweede lid, en, indien na die goedkeuring wijziging is aangebracht in de bouw of inrichting van dat voertuig, die wijziging, behoudens in het geval dat geen goedkeuring is vereist, overeenkomstig artikel 99 is goedgekeurd voor toelating van het gewijzigde voertuig tot het verkeer op de weg.

  3. In afwijking van het tweede lid, kan de Dienst Wegverkeer inschrijving in het kentekenregister weigeren of aan de inschrijving voorschriften verbinden indien het goedgekeurde voertuig een zodanige afmeting of massa heeft, dat het gelet op de infrastructuur van de wegen, een ernstig gevaar kan vormen voor de gezondheid, veiligheid, het milieu of andere aspecten van de bescherming van het openbaar belang.

  4. In bepaalde uitzonderingsgevallen kan door de Dienst Wegverkeer een motorrijtuig of aanhangwagen worden ingeschreven, indien ten aanzien van het motorrijtuig of de aanhangwagen, waarvoor de inschrijving wordt verlangd, niet is voldaan aan het eerste en tweede lid.

  5. Bij algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald dat de ingevolge het eerste lid gestelde eisen aan de aanvrager van een inschrijving niet gelden ten aanzien van de aanvrager van een inschrijving ter zake van een kenteken als bedoeld in artikel 38.

  6. Ingeval de aanvrager van een inschrijving en tenaamstelling van een bromfiets de leeftijd heeft van zestien of zeventien jaar, wordt diens wettelijke vertegenwoordiger verondersteld te hebben toegestemd in de aanvraag.

  7. In afwijking van artikel 47 kan in bij of krachtens algemene maatregel van bestuur bepaalde gevallen een voertuig in het kentekenregister worden ingeschreven zonder tenaamstelling. Door de Dienst Wegverkeer kan worden bepaald dat deze wijze van inschrijven gevolgen heeft voor het tijdstip van de verschuldigdheid van een deel van de in het eerste lid bedoelde tarieven.

  8. Bij algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald dat in door de Dienst Wegverkeer te bepalen gevallen met een ingeschreven en te naam gesteld motorrijtuig of aanhangwagen niet op de weg mag worden gereden.

  9. Het verbod bedoeld in het zevende lid geldt vanaf een bij algemene maatregel van bestuur te bepalen tijdstip.

Artikel 49

  1. Onverminderd artikel 48, eerste lid, wordt de inschrijving in het kentekenregister geweigerd:

    1. indien bij een ingevolge hoofdstuk V verrichte keuring blijkt dat de op het motorrijtuig of aanhangwagen aangebrachte gegevens op onrechtmatige wijze in overeenstemming zijn gebracht met de op het overgelegde kentekenbewijs vermelde gegevens,

    2. indien blijkt dat de ter zake van het voertuig verschuldigde belastingen en rechten niet zijn voldaan,

    3. indien blijkt dat de krachtens een algemeen verbindend verklaarde overeenkomst op grond van de Wet milieubeheer verschuldigde afvalbeheerbijdrage voor autowrakken niet is voldaan, of

    4. in overige bij algemene maatregel van bestuur te bepalen gevallen overeenkomstig de bij die algemene maatregel van bestuur vastgestelde regels.

  2. De inschrijving in het kentekenregister kan worden geweigerd indien:

    1. voor het motorrijtuig of de aanhangwagen waarvoor de inschrijving wordt verlangd, op grond van het bij of krachtens deze wet bepaalde geen kenteken behoeft te zijn opgegeven;

    2. uit een buitenlands register blijkt dat de eigenaar of houder van een motorrijtuig of een aanhangwagen onvrijwillig de beschikkingsmacht over dat voertuig heeft verloren.

  3. Onverminderd artikel 48, eerste lid, wordt de tenaamstelling geweigerd in bij algemene maatregel van bestuur te bepalen gevallen.

Artikel 50

  1. De aanvrager van een tenaamstelling verschijnt persoonlijk bij een erkenninghouder die gerechtigd is motorrijtuigen en aanhangwagens te naam te stellen in het kentekenregister of een daartoe door de Dienst Wegverkeer aangewezen vestiging van deze dienst, tenzij:

    1. de aanvraag wordt ingediend door een erkenninghouder die gerechtigd is motorrijtuigen en aanhangwagens op te nemen in zijn bedrijfsvoorraad ten behoeve van opname in de eigen bedrijfsvoorraad,

    2. volgens bij algemene maatregel van bestuur vast te stellen regels op andere wijze voldoende zekerheid kan worden verkregen over de identiteit van de aanvrager, of

    3. de aanvraag langs elektronische weg op een door de Dienst Wegverkeer te bepalen wijze wordt ingediend.

  2. Bij algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald dat de verplichting om persoonlijk te verschijnen niet geldt ten aanzien van de inschrijving en tenaamstelling ter zake van de opgave van een kenteken als bedoeld in artikel 38.

  3. Indien de aanvraag geschiedt door een in Nederland gevestigde rechtspersoon die dient te zijn ingeschreven in een daartoe bij de wet aangewezen register of waarvan de onderneming dient te zijn ingeschreven in het handelsregister en de aanvrager ingevolge het eerste lid verplicht is persoonlijk te verschijnen, geldt de verplichting voor degene die krachtens de statuten bevoegd is de rechtspersoon te vertegenwoordigen. Indien er meerdere personen bevoegd zijn de rechtspersoon te vertegenwoordigen, geldt de verplichting voor een van hen. Een persoon die bevoegd is de rechtspersoon te vertegenwoordigen, kan bij gemachtigde verschijnen.

  4. De aanvraag van een inschrijving en tenaamstelling geschiedt overeenkomstig bij of krachtens algemene maatregel van bestuur vastgestelde regels. Deze regels kunnen mede dienstbaar zijn aan de heffing van de belasting van personenauto’s en motorrijwielen en van de motorrijtuigenbelasting alsmede aan de afdracht van de krachtens een algemeen verbindend verklaarde overeenkomst op grond van de Wet milieubeheer verschuldigde afvalbeheerbijdrage voor autowrakken en kunnen bepalen in welke gevallen het motorrijtuig of de aanhangwagen, waarvoor een inschrijving en tenaamstelling wordt aangevraagd, voor een onderzoek ter beschikking moet worden gesteld.

  5. De Dienst Wegverkeer is bevoegd te vorderen dat de aanvrager van een inschrijving en tenaamstelling een door of vanwege Onze Minister van Financiën afgegeven bewijs overlegt, waaruit blijkt dat ter zake van het motorrijtuig of de aanhangwagen verschuldigde belastingen en rechten zijn voldaan.

Artikel 51

  1. Het is verboden voor het verkrijgen van een inschrijving in het kentekenregister en een tenaamstelling opzettelijk onjuiste opgaven te doen, onjuiste inlichtingen te verschaffen of onjuiste bewijsstukken en andere bescheiden over te leggen.

  2. Voor zover de bij de aanvraag van een inschrijving in het kentekenregister en tenaamstelling te verschaffen gegevens betreffen of mede betreffen gegevens die nodig worden geacht ter zake van de heffing van de belasting van personenauto’s en motorrijwielen en van de motorrijtuigenbelasting, wordt de verplichting tot het verstrekken van die gegevens beschouwd als een ingevolge de belastingwet opgelegde verplichting en zijn, indien ter zake onjuiste of onvolledige gegevens worden verstrekt – in afwijking van de bepalingen van deze wet – de bepalingen van Hoofdstuk IX (Strafrechtelijke bepalingen) van de Algemene wet inzake rijksbelastingen van toepassing.

Artikel 51a

  1. Een tenaamstelling in het kentekenregister vervalt overeenkomstig bij algemene maatregel van bestuur vastgestelde regels.

  2. Een tenaamstelling in het kentekenregister wordt overeenkomstig bij algemene maatregel van bestuur vastgestelde regels vervallen verklaard:

    1. indien de tenaamstelling heeft plaatsgevonden op grond van bij de inschrijving of tenaamstelling verschafte onjuiste gegevens en dat inschrijving zou zijn geweigerd indien de onjuistheid van die gegevens ten tijde van de aanvraag bekend zou zijn geweest, dan wel

    2. indien blijkt dat de tenaamstelling kennelijk abusievelijk heeft plaatsgevonden.

  3. Onverminderd het eerste en tweede lid, kan een tenaamstelling vervallen worden verklaard:

    1. indien de ter zake van het voertuig verschuldigde belastingen en rechten niet zijn voldaan;

    2. indien het ingeschreven voertuig niet voldoet aan de bij of krachtens deze wet, met uitzondering van hoofdstuk III, vastgestelde eisen;

    3. indien in de bouw of inrichting van het ingeschreven voertuig wijzigingen zijn aangebracht die niet zijn goedgekeurd overeenkomstig het bepaalde bij of krachtens deze wet;

    4. indien het ingeschreven voertuig een schadevoertuig betreft dat voldoet aan bij ministeriële regeling vastgestelde kenmerken, dan wel indien het voertuig na herstel van de schade niet voldoet aan de bij ministeriële regeling te stellen eisen ten aanzien van de wijze waarop de schade is hersteld;

    5. indien de eigenaar of houder van een voertuig onvrijwillig de beschikkingsmacht over dat voertuig heeft verloren, mits wordt voldaan aan de bij algemene maatregel van bestuur vastgestelde voorwaarden, dan wel

    6. in andere bij algemene maatregel van bestuur vast te stellen gevallen.

  4. De Dienst Wegverkeer kan een vervallen verklaarde tenaamstelling laten herleven, dan wel laten herleven voor het rijden over de weg, indien de reden voor vervallenverklaring is komen te vervallen.

  5. In bij algemene maatregel van bestuur vast te stellen gevallen kan worden bepaald dat een tenaamstelling na verloop van bij die algemene maatregel van bestuur te bepalen tijdsperiode van rechtswege vervalt.

Artikel 52

Een kentekenbewijs bestaat uit een of meer bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen delen.

Artikel 52a

  1. Ter bevestiging van de inschrijving in het kentekenregister en tenaamstelling bedoeld in artikel 48, eerste lid, wordt door de Dienst Wegverkeer een kentekenbewijs afgegeven.

  2. De Dienst Wegverkeer verstrekt tevens ten behoeve van wijziging van de tenaamstelling een tenaamstellingscode aan degene aan wie het kentekenbewijs is afgegeven.

  3. Uitreiking van het kentekenbewijs of een deel daarvan en verstrekking van de tenaamstellingscode vindt plaats op bij ministeriële regeling te bepalen wijze.

Artikel 52b

De Dienst Wegverkeer brengt aantekeningen aan in dan wel verwijdert aantekeningen uit het kentekenregister, respectievelijk brengt aantekeningen aan op het kentekenbewijs dan wel verwijdert aantekeningen van het kentekenbewijs, voor zover dat bij of krachtens deze wet is voorgeschreven of mogelijk is gemaakt, dan wel voor de goede uitvoering van deze wet wenselijk is.

Artikel 52c

  1. Een kentekenbewijs verliest zijn geldigheid door:

    1. het verval van de tenaamstelling in het kentekenregister;

    2. de afgifte van een vervangend kentekenbewijs;

    3. het onbevoegd daarin aanbrengen van wijzigingen;

    4. een schorsing als bedoeld in art 67, eerste lid, voor de duur van de schorsing, of

    5. een ongeldigverklaring.

  2. In bij algemene maatregel van bestuur bepaalde gevallen kan een kentekenbewijs op verzoek van de eigenaar of houder van een motorvoertuig tegen betaling, op een door de Dienst Wegverkeer vastgestelde wijze, van het daarvoor door deze dienst vastgestelde tarief, door deze dienst ongeldig worden verklaard.

  3. De Dienst Wegverkeer kan verlangen dat een kentekenbewijs dat zijn geldigheid heeft verloren binnen een daarbij bepaalde termijn bij deze dienst wordt ingeleverd.

  4. De Dienst Wegverkeer kan een ongeldig verklaard kentekenbewijs geldig verklaren, indien de reden voor ongeldigverklaring is komen te vervallen.

  5. Onverminderd het eerste lid, onderdeel d, behoudt het kentekenbewijs zijn geldigheid ten behoeve van de wijziging van de tenaamstelling.

Artikel 53

De Dienst Wegverkeer geeft bij inschrijving in het kentekenregister en tenaamstelling tevens een keuringsbewijs voor het betrokken voertuig af indien:

  1. het voertuig is onderworpen aan een onderzoek dat ten minste een controle inhoudt op de eisen, bedoeld in artikel 75, eerste lid, en

  2. artikel 72 voor dat voertuig geldt of binnen een jaar zal gaan gelden.

Artikel 54

Onze Minister kan aan besturen van verenigingen met volledige rechtsbevoegdheid, die behartiging van verkeersbelangen ten doel hebben, de bevoegdheid verlenen tot het afgeven van internationale bewijzen voor motorrijtuigen en aanhangwagens, bedoeld in internationale overeenkomsten, ten behoeve van het verkeer met motorrijtuigen en aanhangwagens in het buitenland.

Artikel 55

  1. Op aanvraag en tegen betaling, op de door de Dienst Wegverkeer vastgestelde wijze, van het daarvoor door deze dienst vastgestelde tarief, geeft deze dienst overeenkomstig bij algemene maatregel van bestuur vastgestelde regels vervangende bewijzen af voor:

    1. kentekenbewijzen, die versleten, geheel of ten dele onleesbaar, verloren geraakt of teniet gegaan zijn;

    2. kentekenbewijzen in geval van vermissing van de bijbehorende kentekenplaten.

  2. Het vervangende bewijs treedt in de plaats van het eerder afgegeven kentekenbewijs en wordt niet afgegeven dan nadat het versleten of geheel of ten dele onleesbaar geworden kentekenbewijs, waarvoor het wordt afgegeven, is ingeleverd bij de Dienst Wegverkeer.

  3. Op aanvraag en tegen betaling, op de door de Dienst Wegverkeer vastgestelde wijze, van het daarvoor door deze dienst vastgestelde tarief, verstrekt deze dienst overeenkomstig bij algemene maatregel van bestuur vastgestelde regels een vervangende tenaamstellingscode ten behoeve van een wijziging van de tenaamstelling.

  4. De vervangende tenaamstellingscode treedt in de plaats van eerder afgegeven tenaamstellingscodes welke door de afgifte ongeldig worden.

Artikel 60

  1. De houder van een kentekenbewijs is vanaf een bij algemene maatregel van bestuur vastgesteld tijdstip op eerste vordering van bij algemene maatregel van bestuur aangewezen personen verplicht tot overgifte van bij algemene maatregel van bestuur te bepalen delen van dat bewijs, indien naar het oordeel van die personen:

    1. ter zake van het voertuig, waarvoor het kentekenbewijs is afgegeven, de verschuldigde belastingen en rechten niet zijn voldaan;

    2. indien het ingeschreven voertuig niet voldoet aan de bij of krachtens deze wet, met uitzondering van hoofdstuk III, vastgestelde eisen;

    3. het voertuig waarvoor het kentekenbewijs is afgegeven een schadevoertuig betreft dat voldoet aan bij ministeriële regeling vastgestelde kenmerken, dan wel indien het voertuig na herstel van de schade niet voldoet aan de bij ministeriële regeling te stellen eisen ten aanzien van de wijze waarop de schade is hersteld.

  2. Indien het een kentekenbewijs betreft dat is afgegeven voor een aanhangwagen die overeenkomstig het bij ministeriële regeling bepaalde is voorzien van een identificatieplaat, kan aan de vordering worden voldaan binnen een bij die maatregel vastgestelde termijn.

  3. De in het eerste lid bedoelde personen geven het kentekenbewijs na inzage terug aan degene die tot overgifte verplicht was.

  4. Bij algemene maatregel van bestuur worden nadere regels vastgesteld omtrent de verplichting tot overgifte van kentekenbewijzen.

Artikel 61

Het is verboden ten opzichte van een motorrijtuig of een aanhangwagen opzettelijk gebruik te maken van een kentekenbewijs dat niet aan de eigenaar of houder voor dat motorrijtuig of die aanhangwagen is afgegeven, als ware het aan deze voor dat motorrijtuig of die aanhangwagen afgegeven.

Artikel 67

  1. Indien met een voertuig geen gebruik van de weg wordt gemaakt, schorst de Dienst Wegverkeer op aanvraag van de eigenaar of houder van dat voertuig, tegen betaling, op de door de Dienst Wegverkeer vastgestelde wijze, van het daarvoor door deze dienst vastgestelde tarief, de tenaamstelling in het kentekenregister.

  2. De hoogte van het in het eerste lid bedoelde tarief kan voor verschillende groepen voertuigen dan wel eigenaren of houders van voertuigen verschillend worden vastgesteld. Voor aanvragen die worden ingediend binnen een jaar na de aanvraag van een schorsing welke ingevolge artikel 68, eerste lid, onderdelen a en d, is geëindigd, kan het tarief hoger worden vastgesteld dan het tarief voor laatstgenoemde aanvraag.

  3. De aanvraag van een schorsing dient te geschieden overeenkomstig bij algemene maatregel van bestuur vastgestelde regels.

  4. Bij ministeriële regeling worden nadere regels vastgesteld omtrent het krachtens het derde lid bepaalde.

  5. De Dienst Wegverkeer plaatst bij het verlenen van de schorsing overeenkomstig bij algemene maatregel van bestuur vastgestelde regels in het kentekenregister een aantekening waaruit blijkt dat schorsing is verleend.

Artikel 68

  1. De schorsing eindigt:

    1. door opheffing als bedoeld in artikel 69,

    2. door verloop van een bij ministeriële regeling bepaalde termijn vanaf het tijdstip waarop de schorsing is verleend, welke termijn per bij ministeriële regeling aan te wijzen categorieën van voertuigen kan verschillen,

    3. door het verval van de tenaamstelling in het kentekenregister, of

    4. zodra met het voertuig gebruik van de weg wordt gemaakt.

  2. Bij algemene maatregel van bestuur kan onder daarbij te stellen voorwaarden worden bepaald dat in bepaalde uitzonderingsgevallen tijdelijk kan worden afgeweken van het eerste lid, aanhef en onderdeel d.

Artikel 69

  1. De schorsing wordt op aanvraag van de eigenaar of houder door de Dienst Wegverkeer opgeheven.

  2. De aanvraag van opheffing van de schorsing dient te geschieden overeenkomstig bij algemene maatregel van bestuur vastgestelde regels.

  3. Bij ministeriële regeling worden nadere regels vastgesteld omtrent het krachtens het tweede lid bepaalde.

Artikel 70b

  1. Een erkenninghouder die gerechtigd is tot fabricage en levering van blanco-kentekenplaten en van kentekenplaten is verplicht bij of krachtens algemene maatregel van bestuur bepaalde gegevens te registreren in een door de Dienst Wegverkeer beheerd register.

  2. Uit de registratie worden door de Dienst Wegverkeer uitsluitend en desgevraagd aan de ambtenaren van politie gegevens verstrekt voor zover deze noodzakelijk zijn voor de goede vervulling van hun taak.

  3. Bij algemene maatregel van bestuur worden nadere regels vastgesteld omtrent de inrichting en het beheer van het register.

Artikel 70h

Bij de verkrijging van een kentekenplaat worden de bij ministeriële regeling aangewezen identiteitsdocumenten en overige documenten overgelegd.

Artikel 70i

  1. De eigenaar of houder van een motorrijtuig of aanhangwagen is verplicht tot inlevering van de betrokken kentekenplaten in geval van:

    1. overdracht van dat motorrijtuig of die aanhangwagen aan een erkenninghouder die gerechtigd is motorrijtuigen en aanhangwagens te exporteren of te demonteren ten behoeve van uitvoer naar het buitenland of voorgoed buitengebruikstelling;

    2. beëindiging van de tenaamstelling van dat motorrijtuig of die aanhangwagen door een daartoe gerechtigde erkenninghouder ten behoeve van uitvoer naar het buitenland;

    3. vervanging van één of meer kentekenplaten door een nieuwe kentekenplaat of kentekenplaten gefabriceerd en geleverd door een daartoe gerechtigde erkenninghouder in verband met:

      1. beschadiging van één of meer kentekenplaten;

      2. het voorgenomen gebruik van het betrokken motorrijtuig als taxi of de beëindiging van zodanig gebruik;

      3. wijziging van de maximumconstructiesnelheid van een bromfiets.

  2. De inlevering van kentekenplaten, bedoeld in het eerste lid, vindt plaats tegelijk met de handeling, bedoeld in het eerste lid, bij de erkenninghouder die de handeling uitvoert.

  3. In geval van uitvoer naar het buitenland anders dan door een erkenninghouder als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a of b, is de eigenaar of houder van het motorrijtuig of de aanhangwagen verplicht tot inlevering van de betrokken kentekenplaten bij de Dienst Wegverkeer tegelijk met de uitvoer.

  4. Indien het kentekenbewijs zijn geldigheid heeft verloren, anders dan in geval van het eerste of het tweede lid, kan de Dienst Wegverkeer verlangen dat de betrokken kentekenplaten binnen een bepaalde termijn bij deze dienst worden ingeleverd.

Artikel 70j

De Dienst Wegverkeer is, overeenkomstig bij ministeriële regeling vast te stellen regels, verplicht tot vernietiging van de overeenkomstig artikel 70i, derde en vierde lid, bij die dienst ingeleverde kentekenplaten.

← terug naar Wegenverkeerswet 1994